Copyright © 2001-2010 Rinkes        

 

 

Publicaties

Inhoudsopgave


Nine Saints of Java

Nine Saints of Java D.A. Rinkes (1878-1954) was a Leiden-trained orientalist who had a lengthy civil service career in the Netherlands East Indies, now Indonesia.

In 1910 he began to publish a series of articles about the Islamic apostles or Saints of Java, semi-legendary figures of great renown. Six articles followed down to 1913, which are translated here. These works rested upon printed and manuscript sources in Javanese. Rinkes originally planned a longer series, but other professional duties took him away from his scholarly work thereafter.

The first of Rinkes' articles concerned Abdulmuhyi, a central figure in the legendary early history of the Shattariyya mystic brotherhood in Java. Thereafter he studied figures reckoned to be among the nine Walis (saints), who are traditionally said to have been responsible for the Islamisation of Java in the fifteenth and sixteenth centuries. These were Seh Siti Jenar, Sunan Geseng, Ki Pandan Arang and Pangeran Panggung. The historical reality of these figures is now beyond confident reconstructing, but there can be no doubt of the continuing popular belief in their importance in the Islamisation of Java, in their continuing capacity to exercise an influence in the lives of their devotees.

Rinkes' articles on the Saints of Java remain a valuable collection of materials and commentary. The continuing relevance of the traditions about these holy figures, and the continuing belief in their extraordinary roles and powers, are confirmed by the fact that very many thousands of Muslims in Java still undertake pilgrimages to their grave-sites every year. Rinkes' studies of these saints thus remain relevant today.

Rinkes' important articles are here made available in English translation for the first time.

This work weaves myth and literature with historical reality. It illustrates the idea that the spread of Islam in Hindu-Buddhist Java was accomplished not by an outside conquering force, but by mysticism.

The conversion of the Javanese to Islam is ascribed to the Wali Sanga, the Nine Saints, or Muslim Mystics, who tradition says built bases amongst the masses from which they then brought about the final downfall of the Hindu-Javanese kingdom of Majapahit by armed insurrection in the early sixteenth century. The Saints dominated the post-Hindu Javanese period which became known as Jaman Kuwalen or the "Age of the Saints".

Whether the Saints were in fact nine, or eight, or more, cannot be demonstrated historically. Professor G.W.J. Drewes has suggested that the formulation Nine Saints may reflect the survival of Hindu-Javanese cosmological concepts in which, for instance, there were nine guardian deities who presided over the points of the compass.

Whatever their number may have been, the penetration by these Muslim Saints of Hindu-Javanese society and their reinterpretation of Hindu-Javanese notions epitomizes the Sufis' approach and is one of the interests of this book. That one finds a unity of culture and religion in the Javanese world is possibly to the credit of this reinterpretation of Hindu forms by the subversive Walis. The Hindu-based shadow-play (wayang kulit), the keris (traditional dagger), the gamelan (Javanese percussion orchestra), all are associated in popular traditions with the Muslim Saints and were symbolically used by them.

Whether any particular Saint or the doctrine ascribed to him is historically based is in a sense irrelevant. That the stories evolved, are recorded by tradition, and are believed, is of continuing interest for our understanding of Javanese culture and thought.

Part myth, part popular belief, part historical fact, this is an important book for our understanding of the era of Islamization in Java and Javanese perceptions of Islam.

D.A. Rinkes
Translation by H.M. Froger
Edited by Alijah Gordon
Introduction by G.W.J. Drewes

Published by Malaysian Sociological Research Institute (MSRI) 1996
ISBN 983-99866-1-9

You can buy this book at Southeast Asia book specialist Select Books.

^ Top


Gedenkboek van Nederlandsch-Indië 1898 - 1923
(Memorialbook Dutch East-Indies)

Gedenkboek voor Nederlandsch-Indië ter gelegenheid van het regeeringsjubileum van H.M. de Koningin 1898 - 1923.

Uitgegeven namens het hoofdcomité voor het jubileum, door de redactie-commissie: L.F. van Gent, W.A. Penard, Dr. D.A. Rinkes.

Met steun van den raad van advies: Dr. E. Moresco, Dr. J.H. Boeke, Dr. C. Braak, Ds. W.F. Breyer, L.F. van Gent, Raden Kamil, H.H. Kan, Th. Ligthart. W.A. Penard, Dr. D.A. Rinkes, Pastoor J.J. van Rijckevorsel en F.H.K. Zaalberg en medewerking van vele deskundigen.

1923 - G. Kolff & Co. - Batavia - Weltevreden - Leiden.

Dit gedenkboek wordt door de medewerkers eerbiedig opgedragen aan Hare Majesteit Koningin Wilhelmina, als een blijk van den geestelijken en stoffelijken vooruitgang, welke aan Nederlandsch-Indië ten deel viel gedurende de eerste 25 jaren van Haar zegenrijk bewind.

Volkslectuur

Zooals boven is besproken, onderging de onderwijs-politiek van de Regeering in de hier besproken periode aanzienlijke wijziging. Beoogde men voorheen in hoofdzaak de recruteering van ten minste eenigszins geschoolde krachten voor de toenmalige, nog eenvoudige bestuursdiensten, waarbij de abituriënten der scholen als regel op eene plaatsing in Gouvernements-dienst konden rekenen, voortaan zou met name het elementair onderwijs in de eerste plaats ontwikkeling van breede bevolkingsgroepen nastreven. Daarbij zouden de aldus opgeleiden veeleer hun natuurlijke plaats in het maatschappelijk en economisch leven der bevolking moeten behouden, zij het dan op hooger niveau.

Tegelijkertijd begreep men echter, dat elementair onderwijs, zooals de Volksscholen konden geven, op zich zelf niet voldoende was, hoogstens het middel tot meerdere ontwikkeling kon zijn. Behalve de vaardigheid tot lezen, schrijven en rekenen op methodische wijze, moest er ook plaats en gelegenheid zijn met die middelen kundigheden te verwerven en aan te vullen binnen het kader der maatschappij, waarin die nieuwe kennis zou moeten worden aangewend. En tevens zou moeten worden voorkomen dat de verworven leeskunst en het opgewekt bevattingsvermogen zouden strekken tot minder gunstige gevolgen, dat die middelen zouden worden geëxploiteerd door schadelijke invloeden, ten detrimente van de bestaande maatschappelijke orde c.a.

Met name de leeskunst. Want welk nut zou de bijbrenging van die vaardigheid bezitten, indien de verwerver daarvan zijn toevucht zou moeten nemen tot de bestaande litteratuur, alleen in handschrift of schaarsche en dure uitgaven beschikbaar, — geschriften, welke al gedurende eenige eeuwen herkauwd waren, en waaruit voor moderne toestanden en verhoudingen weinig leerrijks meer te putten zou zijn.

En bedenkelijk zou dat onderwijs zelfs kunnen wezen in zijn gevolgen, indien de daarmee begunstigden door min scrupuleuze uitgevers of zelfs bepaalde onrustwekkers zouden worden voorzien van lectuur van bedenkelijk gehalte, waarbij men zich zeker zou moeten gaan afvragen of het onder zulke overwegingen maar niet beter ware de lieden in huune vroegere omstandigheden te laten blijven.

Naast en onmiddellijk ten vervolge op het onderwijs in de leeskunst moest dus lectuur komen, die de opgewekte leesgierigheid zou kunnen bevredigen in gunstigen zin, en bovendien tot ontwikkeling kon strekken binnen de bestaande maatschappelijke orde, binnen de ontwikkelingsmogelijkheden, die zich hier te lande voordoen, met vermijding van allerlei, dat als niet aangepast aan de verhoudingen van land en volk tot verwringing of ontwrichting zou moeten leiden, tot schade van gezag en orde, dus van de betrokkenen zelve.

Deze overwegingen leidden er toe in 1908 eene Commissie in te stellen voor de Inlandsche school- en Volkslectuur (later kortaf: voor de Volkslectuur geheeten), welke den Directeur van Onderwijs zou moeten voorlichten omtrent de keuze van werken, geschikt om van Gouvernementswege te worden uitgegeven.

Het is niet noodig hier omstandig uiteen te zetten hoe deze commissie er na een paar jaar toe kwam hare werkzaamheden uit te breiden in dien zin, dat zij meer actief tot productie van geschriften aanspoorde of zelf daartoe overging.

Het aangeboden materiaal toch was in qualiteit en quantiteit alleszins onbevredigend en door eenvoudigweg maar te blijven afwachten, zou er zeker in afzienbaren tijd niet veel worden bereikt.

Dies begon zij zelve eenigszins organiseerend op te treden, welk initiatief spoedig gelukkige resultaten gaf.

In de eerste plaats meende zij naar ontspanningslectuur te moeten streven om de leeskunst op te wekken en op gang te houden, waartoe zij begon met de bestaande, eigendommelijke volksverhalen en legenden, tot nu toe in hoofdzaak in handschriften neergelegd of in de mondelinge overlevering levend, bijeen te garen en te schiften.

Dit laatste was van wezenlijk belang aangezien vermeden moesten worden alle verhalen, die bijgeloof of andere bestaande wanbegrippen zouden kunnen versterken, alsook dezulke, die obscene voorvallen en episodes behelzen.

Onder die beperkingen was de oogst niet zoo heel groot doch de uit dien hoofde uitgegeven werken behooren nog steeds tot de meest gewilde, waarvan in den loop der jaren verscheidene drukken en herdrukken zijn geplaatst, terwijl zij in de bibliotheken mede tot de meest gevraagde boeken behooren.

Als zoodanig spant de kroon, de Hikajat Pandji Soemirang, dat ook voor Europeeschen smaak zeer aantrekkelijk is, en waarvan thans de derde druk (rijk geïllustreerd) nagenoeg uitverkocht is.

In het Javaansche taalgebied zijn diverse wajangverhalen nog altijd het meest geliefd.

Nadat dit gebied vrijwel was afgewerkt, is men ook overgegaan tot de vertaling van Europeesche letterkundige werken.

Wel was er overwogen om ook in andere Oostersche litteratuur naar geschikte leesstof te snuffelen, doch tot nu toe is daarbij nog weinig resultaat verkregen, want ten eerstens lijden die werken in andere Oostersche talen (bijv. het Arabisch, Perzisch, Sanskriet) voor een deel aan hetzelfde euvel als de inheemsche, en ten tweede was voor de omwerking rechtstreeks uit de betrokken taal geen personeel te vinden, terwijl Europeesche vertalingen (Engelsch, Fransch, of Duitsch) om dezelfde redenen eerst nog weer in het Hollandsch zouden moeten worden verwerkt, alvorens zij in het Inlandsche talen konden worden overgezet. Toch is op dit gebied nog wel het een en ander te doen, als men daarbij de oudere en verouderde verhalen eenigszins ter zijde laat, en vooral het oog richt op de eigen moderne litteratuur, die vooral in het Arabisch naast veel kaf, ook enkele goede werken (men denke bijv. aan de romans van George Zaidan e.d.) heeft voortgebracht.

Bij de keuze van Europeesche werken (uitsluitend Nederlandsche, of zulke, waarvan een Nederl. vertaling bestaat), heeft men zich vooral laten leiden door de keuze van ontwikkelde Inlanders, die ze in het Nederlandsch hadden gelezen en geapprecieerd, onder uitsluiting nochthans van moderne sensatie- of tendenzlitteratuur en wonder-verhalen, waarvan er in de eigen boekenkast genoeg voorraad is, en met voorkeur voor dezulke, die zich eenigszins bij de bestaande verhoudingen aansloten.

Ook op dit terrein zijn de resultaten in het algemeen zeer gunstig: de meeste der aldus verkregen boeken worden gretig gelezen en gekocht, enkele bereiken in de bibliotheken een cijfer van uitleeningen, dat slechts weinig bij de beste boeken van inheemschen oorsprong achter staat.

 

Tweëerlei systeem is bij de omwerking toegepast: het eene is vertaling, waarbij het oorspronkelijke verhaal op den voet wordt gevolgd, met weglating soms van enkele al te moeilijke gedeelten, het andere is een meer of min volledige aanpassing aan het milieu, een verplaatsing van de handeling naar Indië, en het vervangen der personae door Inlanders, voor zoover de beschreven handelingen en de karakterschildering zulks toelaten.

Het eerste is verreweg het gemakkelijkste en daarvan bestaan de meeste voorbeelden. Zeer geliefd zijn de vertalingen van: Alleen op de wereld, Gulliver, de Schaapherder, de Levens van De Ruyter en Tromp (trouwens alles, waarin van vechterij voorkomt, wat "rameh" is), de Vier kinderen in het Nieuwe woud, en zelfs de Overwintering op Nova Zembla, met de kinderboeken: de Gelaarsde Kat, en Klein Duimpje; van sommige waren reeds herdrukken noodig, terwijl ook alle andere in frequentie van uitleening boven het gemiddelde staan.

Als voorbeeld van volledige aanpassing noem ik het Oliver-Twist-verhaal, in de Volkslectuur-uitgave: Si Djamin dan Si Djohan, dat te Batavia speelt, waarbij de boeaja's van Pasar Senen de Londensche apachen hebben vervangen, een rijke barmhartige Chinees den armen jongen Si Djamin opneemt, een bioscoop, de Pasar Ikan, de Sluisbrug etc. worden besproken, kortom dat inderdaad "vertaald" is, en niet alleen "verwoordelijkt" zooals de andere.

Het staat in gewildheid bij eenige der bovengenoemde iets ten achter; toch is ook hiervan reeds een tweede druk verschenen. Zulke arbeid stelt echter hooge eischen aan den bewerker, is haast moeilijker dan zelfstandig inventief werk; bij de andere weinige werken van dit genre is de aanpassing dan ook niet zoo volkomen, of in karakterteekening veel minder geslaagd.

Intusschen heeft de kennismaking met de Europeesche roman-litteratuur nog een ander gelukkig resultaat gehad, en wel dat enkele begaafde personen getracht hebben zelfstandig inventief tot samenstelling te geraken; aldus zijn bereids enkele werken verschenen, die deze innovatie in de Inlandsche litteratuur op gelukkige wijze hebben ingezet.

Hoewel in dagelijksche gesprekken met Inlanders van diverse positie meermalen blijkt, dat velen onder hen zeer wel litteraire eigenschappen als: esprit en gevoel voor humor hebben, en levendig weten te vertellen, ook naar Europeesche, dat is: algemeenen smaak, gelukte het maar heel zelden iets van hen op schrift te krijgen, waarin die eigenschappen tot uiting kwamen; met de pen weer vervielen zij aanstonds tot de hoogdravendheid, breedsprakigheid en gekunsteldheid, welke zoovele bestaande litteratuur-producten voor Europeanen en ook voor hen zelve, min genietbaar maken.

Het schijnt nu echter dat de gegeven goede voorbeelden de stimulans zijn geweest om de sluimerende talenten eenigszins te doen ontwaken, ten minste in de laatste jaren zijn ook romans van eigen vinding binnengekomen, soms nog wat onbeholpen, doch van onmiskenbare litteraire waarde, welke aanstonds werden gedrukt, en thans reeds beslist een succes zijn te noemen.

Als zoodanig mogen speciaal genoemd worden Sitti Noerbaja (Maleisch) en Serat Rianta (Javaansch), die na korten tijd reeds tot de bepaald gewilde boeken zijn te rekenen.

Vermelding dient, dat vele, vooral de latere uitgaven zijn geïllustreerd, sommige op verdienstelijke wijze (bijv. de bovengenoemde Gelaarsde Kat), hetgeen bij de lezers zeer in den smaak blijkt te vallen.

Naast deze ontspanningslectuur werd reeds van den beginne ook ontwikkelingslectuur gezocht, teneinde het lezend publiek, zij het op de meest eenvoudige wijze, in kennis te brengen met de resultaten van het Europeesche weten op allerlei gebied.

Hierbij werd vooral gepoogd om aan te sluiten bij de begrippen en denkbeelden, die nog onder de bevolking gangbaar zijn. Op dit terrein doen zich echter groote moeilijkheden voor. Want niets is lastiger te volvoeren dan een eenvoudige behandeling van de stof. Natuurlijk heeft men daarvoor wel zijn uiterste best gedaan en zijn de bewerkingen bevattelijk en goed en zelfs gewild, doch zoo "geslaagd" als de evengenoemde zijn ze toch niet.

Onder de uit dezen hoofde verschenen uitgaven handelen de meeste over landbouwkundige en economische onderwerpen (in den ruimsten zin), en over medische aangelegenheden, inclusief volksgezondheid. Voorts zijn op die wijze behandeld een aantal politieke onderwerpen als staatsinstellingen, begrootings-wetgeving etc., en verder in meer of minder uitgebreidheid den geheelen cyclus van Europeesche wetenschappen, voor zoover deze niet reeds tot de schoolprogramma's behooren.

Omtrent de politieke onderwerpen zou men zich af kunnen vragen, of het wel raadzaam is, grootere bevolkingsgroepen over zulke zaken in te lichten, — of het niet veel beter zou zijn zich tot landbouw, ambachten, hygiëne etc. te bepalen: aanstonds moge hier worden opgemerkt, dat het welhaast ijdel is, deze vraag in beschouwing te nemen, omdat het niet dáárover gaat. Doch wel, of de voorlichting over zulke zaken zal komen van Volkslectuur, dus op rustige en juiste wijze zal geschieden, dan wel van lieden met bijzondere bedoelingen, van wien onpartijdige uiteenzettingen bezwaarlijk kunnen worden verwacht.

 

Ook de uitgaven, waarmee een rechtstreeks ontwikkelende strekking werd beoogd, hebben gretig opname gevonden, al is het debiet en de uitleeningsfrequentie van deze werken uit den aard geringer dan van de romans etc. Tot deze rubriek, waarvan reeds verscheidene werkjes herdrukt zijn, behooren handleidingen voor metselaar, timmerman enz., voor eerste hulp bij ongelukken e.a.

Van de landbouwkundige boeken inclusief die handelend over veeteelt en tuinbouw, is het cijfer van uitleeningen in het algemeen alleszins gunstig, het debiet daarentegen nog vrij gering. Daaruit blijkt, dat de bevoling zich wel reeds in zoover heeft losgewerkt uit haar oude traditioneele opvattingen omtrent den landbouw, dat zij kennis wil nemen van Europeesche methoden en opvattingen, doch daar toch eigenlijk nog geen geld voor over heeft.

Een aantal werkjes tegen opium en sterke drank, in vier talen, vinden wel niet veel aftrek vergeleken bij de romans bijv., doch worden in elk geval geregeld gelezen en ook zeer veel verkocht.

De medische uitgaven worden uitvoeriger op een andere plaats in het Gedenkboek beschreven.

Onder de boeken van gemengden inhoud verdient in het bijzonder de Volksalmanak vermelding; voor het eerst in 1918 verschenen in drie, later in vier talen, rijk geïllustreerd en in aantallen van 40 - 60.000 per jaar verkocht, verheugt deze zich in groote populariteit.

Voorts wordt uitgegeven een geïllustreerd tijdschrift geheeten Sri Poestaka, de "Glans der Letteren", dat eenmaal per maand verschijnt, en thans zijn 5en jaargang beleeft, met een oplaag van 3.500 exemplaren. Het bevat populaire artikelen, die te klein van omvang zijn voor uitgaven als boekwerk.

Sedert 1 Januari 1923 wordt ook uitgegeven een weekblad, Pandji Poestaka dat thans reeds ongeveer 2000 vaste abonné's heeft, vooral bedoelt actualiteiten te geven in woord en beeld, en dat voor de binnenlanden met slechte postverbindingen een dagblad kan vervangen.

De kosten op deze laatste categorieën van uitgaven vallende, worden door het debiet ruimschoots vergoed.

 

Het totaal aantal der uitgaven van Volkslectuur heeft thans bereids de 600 overschreden en gaat steeds door, naarmate geschikte handschriften beschikbaar komen, terwijl tevens wordt getracht een goede evenredigheid in productie en afname te bereiken, waardoor de commercieele basis van het instituut steeds hechter zal worden.

Deze ruim 600 boeken zijn verschenen in 8 verschillende talen, t.w. enkele in het Hollandsch, al of niet met nevenplaatsing van den Maleischen tekst, voorts in het Maleisch, Javaansch, Soendaneesch, Madoereesch, Bataksch, Menangkabausch en Balineesch.

Hoewel men als regel mag aannemen, dat de eigenlijke Volkstaal steeds het meest gewild is (behoudens uitzonderingen), zou het natuurlijk practisch onuitvoerbaar zijn om in alle talen van den Archipel te drukken. Voor de meeste taalgebieden zou op geen stukken na een rendabel debiet zijn te verwachten, en de uitgaven in de drie laatstgenoemde talen bijv. en zelfs in het Madoereesch, zijn dan ook meer als proeven te beschouwen om eenige verhalen, speciaal aan dat taalgebied inhaerent, in de eigen taal te populariseeren, dan als een ernstige poging om dat taalgebied met den geheelen cyclus van Volkslectuur-uitgaven te bestrijken.

In het algemeen wordt aangenomen, dat een werk, bestemd voor een meer ontwikkelden lezerskring, waarvan dus een minder ruim debiet mag worden verwacht, alleen in het Maleisch verschijnt en dus bruikbaar zal zijn in den geheelen Archipel. De boeken met ontwikkelende strekking, doch meer populair gesteld, verschijnen daarentegen in de landstalen, of ten minste in enkele ervan.

Wat betreft het letterschrift is vanaf den beginne afgezien van het voor Inlandsche talen ongeschikte Aragische schrift, dat bovendien lastig te zetten is. Voor de Soendaneesche taal bovendien van het Javaansch letterschrift, dat in het betrokken taalgebied nooit inheemsch is geweest, en haast uitsluitend door het Gouvernements-onderwijs om onnaspeurlijke redenen in nog heel enkele kringen in stand wordt gehouden. Voor het Maleisch en Soendaneesch wordt dus uitsluitend van het Latijnsch letterschrift gebruik gemaakt, dat uitnemend voor alle Inlandsche talen geschikt is.

In de Javaansche landen zijn de boeken met Javaansche karakters ontegenzeggelijk het meest populair, terwijl het behoud van dit letterschrift door de nationalisten krachtig worden gesteund; de Volkslectuur, die gaarne het recht van ieder volk erkent om hun taal te schrijven in het letterschrift dat zij zelf verkiest, heeft met dien duidelijken wensch dus rekening gehouden.

 

Een zeer belangrijke, zelfs overwegende aangelegenheid, die ook aanstonds onder de oogen werd gezien, was de kwestie hoe de boeken, door Volkslectuur geproduceerd, onder de menschen zouden moeten worden gebracht.

Reeds in den Compagnies-tijd, doch vooral in de decenniën na omstreeks 1850 waren weleens wakkere mannen bezig geweest met propaganda in deze richting en er verschenen ook wel enkele boekjes, welke voor hun tijd geenszins ongeschikt mochten heeten, doch men meende zijn plicht te hebben gedaan als het boek eenmaal goed en wel gedrukt was en ten verkoop was gesteld, of wel men trachtte het gratis onder de bevolking te verspreiden door tusschenkomst van de locale ambtenaren.

In beide gevallen miste men het beoogde doel. Van een boek, vele decenniën geleden van Gouvernementswege gedrukt in een oplaag van 10.000 exemplaren, bleek in 1912 nog een totaal van ± 9.980 aanwezig! Toch was het een goed werk, dat sedert de commerciële propaganda is begonnen, ondanks eenige veroudering, heel wel gewild bleek en thans vrijwel uitverkocht is.

Van de werken volgens oud-koloniale methode "gratis verspreid", bleek het meerendeel bij de lagere ambtenaren te stranden, die het papier (van goede kwaliteit) voor diverse doeleinden verwerkten. Bij een districtshoofd werdne eens in totaal ruim 1.300 exemplaren gevonden van enkele geschriftjes, welke hem geleidelijk ter verspreiding waren toegezonden, maar hoofdzakelijk voor dienst-enveloppen werden opgebruikt.

Er moest dus een andere weg worden ingeslagen om zoo mogelijk enkele dezer oudere boeken, doch vooral de nieuwe uitgaven bij de betrokkenen bekend te maken.

Daartoe werd in de eerste plaats besloten tot de oprichting der zoogenaamde Volksbibliotheken, waartoe, voorloopig alleen in het Jav. ne Soend. taalgebied, — reeds in den loop van 1911 kon worden overgegaan, — tot een totaal van ± 650; het aantal beschikbare werken was op dat tijdstip nog niet toereikend voor andere taalgebieden.

Teneinde aanstonds een voegzaam aantal te kunnen vestigen, en ze tevens geschikt onder dak en onder geregeld beheer te kunnen brengen, werd een dergelijke Volksbibliotheek aan iedere 2e klasse Inlandsche school verbonden en het hoofd der school ambtshalve tot beheerder aangewezen. Er moge hierbij nog eens uitdrukkelijk worden gewezen op deze motieven, aangezien uit die plaatsing aan de scholen de onereuze conclusie is getrokken dat de boeken voor (school-) kinderen bestemd zouden zijn, hetgeen tot allerlei oppervlakkige critiek aanleiding heeft gegeven. Wel is aan iedere bibliotheek een speciale rubriek A: Kinderlectuur, verbonden.

Tegelijk met de boeken (toenmaals een honderdtal ongeveer) werd de beheerder uitgerust met een kast ter opberging, een plank met opschrift, die buiten het gebouw moest worden aangebracht, voorts een eenvoudig reglement en blanco-registers ter invulling der uitleeningen.

Hoewel de boeken voor een deel moeten worden beschouwd als te dienen tot voortzetting van het schoolonderwijs, en dus geen integrale vergoeding der kosten, laat staan winst beoogd werd, gold toch als vaste stelregel: niets voor niets, zoodat een gering leesgeld wordt geheven; uitgezonderd daarvan is de kleine serie kinderlectuur, welke gratis wordt uitgeleend.

In den beginne was de animo tot leenen niet zoo groot; slechts enkele plaatsen, waar de beheerders zich veel moeite gaven, of die al eenigszins waren voorbereid, maakten daarop een uitzondering: het aantal boeken was nog gering en de instelling was een ongewone nieuwigheid. Gaandeweg nam de leeslust toe, en waar het gemiddelde aantal uitleeningen in het eerste jaar 1912 ongeveer 60 per bibliothek en per jaar bedroeg, was dit bereids in 1917 gestegen tot nagenoeg 600, hetgeen alleszins bevredigend was. Sindsdien zijn ook in het Madoereesche taalgebied bibliotheken verstrekt, en tenslotte sedert 1918 - 1919 ook in het Maleische taalgebied, waartoe om practische redenen de buitengewesten in hun geheel worden gerekend, tot een totaal van ± 1.700 bibliotheken (in 1923).

Het aantal uitleeningen is gestegen tot 1.400.000, zijnde gemiddeld ruim 800 per bibliotheek en per jaar; daarbij dient in aanmerking te worden genomen,dat de bibliotheken in het Madoereesche taalgebied als gevolg van een zekere achterlijkheid bij de bevolking, in het algemeen minder aftrek hebben dan elders, en ook vele der nieuwere bibliotheken, vooral die op afgelegen en dunbevolkte plaatsen buiten Java het gemiddelde sterk drukken. De oudere bibliotheken in het Jav. en Soend. taalgebied halen alle aanzienlijk boven de duizend.

Dit cijfer wil dus zeggen dat over geheel Indië gerekend, per week ongeveer 28.000 uitleeningen plaats vinden, (de meeste bibliotheken zijn slechts op een bepaald uur per week geopend), welke uitleeningen verdeeld zijn over ongeveer 200.000 geregelde lezers.

Behalve deze algemeene georganiseerde Volksbibliotheken, werden bovendien bibliotheken verstrekt aan Kazernes ten gerieve van de Inl. militairen, bij wie zij zeer in den smaak vielen; later in navolging ook aan de gewapende politie, hospitalen met Inlandsche verpleegden, enkele vaartuigen der Marine, tot een totaal van 355. Voorts worden op haar verzoek, ook de meeste (gesubsidieerde) particuliere onderwijs-inrichtingen, staande op het peil van Inlandsche scholen, met een stel boekwerken in de landstaal uitgerust.

In navolging van deze Inlandsche volksbibliotheken is ook het instituut der Hollandsche Volksbibliotheken bij de Volkslectuur ondergebracht, hoewel de daarin geplaatste boeken behoudend enkele, niet tot hare serie-uitgaven behooren.

De oprichting van deze laatste sedert 1916 was een gevolg van de uitbreiding van het onderwijs, met name dat in de Nederlandsche taal: hetzelfde gemis aan goede lectuur voor de abituriënten der Inlandsche volksscholen e.a. als boven omschreven, geldt, ten minste in de binnenlanden, voor de jongelieden, die een leergang in het Hollandsch (H.I.S. of een meer speciale cursus) hebben gevolgd en die taal dus min of meer machtig zijn, zonder dat zij gelegenheid bezitten zich die kennis door lezing van geschikte werken ten nutte te maken en te onderhouden.

Om dezelfde reden als boven ontvouwd, werden deze bibliotheken thans ongeveer 140, aan de H.I. scholen, in beheer gegeven.

Voor deze boeken kon men putten uit den rijken schat van Hollandsche litteratuur; na zorgvuldige schifting werden zij in den boekhandel aangeschaft tot een totaal van thans ongeveer 400 exemplaren.

Verklaard mag worden, dat deze instelling op vele plaatsen hoog wordt gewaardeerd. Bij de aanschaffing wordt getracht naar gepaste verscheidenheid, vermijding van allerlei moderne sensatie- en decadentie-producten, terwijl de ontspanningslectuur voorloopig aanzienlijk meer aandacht heeft gekregen dan de werken met ontwikkelende strekking.

In 1922 werden totaal 43954 uitleeningen geboekt, zijnde ± 330 per bibliotheek, terwijl van de boeken Kartini's brieven het hoogst werden aangeslagen. Daarna komen populaire romans als: De Leeuw van Vlaanderen, Toen onze Koningin nog Prinsesje was, Een Kapitein van vijftien jaar enz.

 

Verder werd het debiet van de uitgegeven boeken door verkoop met zorg ter hand genomen. Wel bestond van ouds gelegenheid tot koop bij het Depôt van Leermiddelen, doch passende reclame werd daarvoor niet gemaakt, behalve een al te naïeve aanplakking van een lijst der boeken aan de stations, en de vlotheid, waarmee gegadigden werden bediend, liet uit den aard der zaak alles te wenschen over.

Voor dat debiet nu werden dezelfde maatregelen genomen, welke ook een actief particulier uitgever moet nemen als: adverteeren in de (Inlandsche) bladen, met toezending van een recensie-exemplaar der nieuwe uitgaven; ten gerieve der redacteuren werd dan meestal meteen maar een (natuurlijk gunstige) recensie bijgevoegd. Voorts ging hiermee gepaard een rondzenden van prospectussen, verspreiden van een completen catalogus, aanstellen van agenten of debitanten, die een zeker commissieloon genieten van door hen geplaatste boeken, het exposeeren op pasar-malam, jaarbeurs, etc.

De vlotheid van afzending kon pas goed tot zijn recht komen, nadat (sedert 1918) de Volkslectuur haar eigen serie-uitgaven in eigen beheer heeft genomen; de bestellingen worden thans als regel nog denzelfden dag verzonden, waarop ze worden ontvangen.

Op die wijze is het debiet zeer snel toegenomen, zoodat in 1922 in het geheel — afgescheiden van tijdschriften, almanakken enz. — 150.000 exemplaren door contante verkoop werden verstrekt, zijnde een boek op 300 inwoners van N.I., vrouwen, zuigelingen, Dajaks, Papoea's etc. meegerekend.

 

Onwillekeurig dringt zich thans de vraag op, hoeveel dat nu allemaal kost, — of, afgezien van het succes en groote nut, de kosten niet wellicht buiten evenredigheid staan tot de bereikte resultaten.

Ter zuivere overweging dient men al aanstonds te vermelden, dat bij den Dienst der Volkslectuur om practische en administratieve overwegingen nog een paar aanverwante aangelegenheden zijn ondergebracht, die daarmee op de begrooting een geheel vormen, doch met het instituut tot lectuur-voorziening geen wezenlijk verband houden. Dit zijn:
a. het persbureau, waar de Inlandsche pers etc. geregeld wordt nagegaan, en b. het vertaalbureau, waar o.m. allerlei vertalingen voor den dienst, met name de justitieele, worden verricht.

Eveneens moet men de afdeeling Volksbibliotheken die ongeveer ƒ 100.000,- per jaar kost, afzonderlijk noemen; immers in Nederland wordt ook een aanzienlijk bedrag aan Volksbibliotheken ten koste gelegd, doch in den vorm van subsidies aan particuliere instellingen: hier te lande, met zijn weinig stabiele bevolking, is de ambtelijke vorm aangewezen, en het Gouvernement exploiteert dus voor dat bedrag rechtstreeks 1.700 en indirect 500, samen 2.200 bibliotheken, welke, om een vleiend getuigenis aan te halen "als brillianten, als diamanten, als vele edelgesteenten, verspreid over N.I." worden genoemd.

Nu wordt algemeen erkend, dat in den boekhandel de post algemeene onkosten zwaar drukt op het bedrijf, aangezien de bestellingen meestal kleine bedragen betreffen, en toch alle even zorgvuldig moeten worden uitgevoerd als in een bedrijf, waar de units veel kostbaarder zijn. Dit geldt uiteraard ook bij de Volkslectuur, aangezien de inboeking en uitvoering van een order op bijv. een boekje van 10 ct. geheel dezelfde administratie vereischt als in een ander bedrijf de bestelling van bijv. een stoomwals of een vrachtauto.

Niet minder dan de beheerskosten drukken zwaar op het bedrijf de uitgaven van de afdeeling redactie, welke goed bezet moet zijn door prima krachten. Immers, voor Gouvernementsuitgaven stelt men zwaardere eischen dan aan particuliere: en critici staan spoedig klaar, om, als de hoofdzaak voor hen buiten schot blijft, op een of ander detail neer te strijken.

Niettegenstaande de genoemde omstandigheden nu, gelukt het niet alleen de prijs der boekjes uiterst laag te houden, doch ook om zich zelf te bedruipen zooals het heet. Sedert de verkoop in eigen handen is gekomen en de organisatie zich geleidelijk heeft ontwikkeld, wegen de inkomsten (in het pas afgeloopen jaar 1922) zelfs ruim tegen de uitgaven op. In hoeverre dat blijvend zal kunnen zijn, valt met de wisselende economische en politieke verhoudingen moeilijk te voorspellen, doch in elk geval is men heel wat beter uit, dan indien men aan de "gratis-verspreiding" ware blijven kleven.

 

Het spreekt welhaast van zelve, dat de instelling der Volkslectuur, zich ontwikkelend als boven geschetst en in den loop der jaren een invloedrijke factor geworden voor de verstrekking van geestesvoedsel hier te lande, geenszins verschoond is gebleven van critiek op hare gestie.

Uit deze uiteenzettingen moge blijken, dat deze wijze van lectuur-verschaffing zoowel een koloniaal-ethische alsook eene politieke strekking heeft. Wat de eerste betreft, daarvoor moest uiteraard een strikt neutraal of liever objectief standpunt worden ingenomen, terwijl ten behoeve van de tweede de principes van ons Staatsbestel, gericht op handhaving van gezag en orde, op saamhoorigheid en rechtvaardigheid, ten volle moesten worden gehandhaafd. Om begrijpelijke redenen, werd uitdrukkelijke propaganda voor een of andere bepaalde godsdienstige richting met zorg vermeden. Dit laatste sluit godsdienstige lectuur natuurlijk geenszins uit; zoowel de Hollander als de Inlander zijn van nature van ernstig religieuzen zin en tevens van oudsher tolerant; het zou dus al heel vreemd zijn als een arbeid met duidelijk moreele strekking, door die beide rassen in gelukkige samenwerking opgebouwd, zonder godsdienstigen ondergrond tot stand ware gekomen. Het religieuze element wordt dan ook geenszins gemeden, maar wel de godsdienst-propaganda, zoodat de Volkslectuur-uitgaven, al moge hier en daar wel eens een ongelukkige zinssnede aan de aandacht zijn ontsnapt, door ieder, van welke godsdienstige richting ook, zonder vrees voor aanranding van zijn overtuiging, zullen kunnen worden gelezen.

 

De koloniaal-ethische, de ontwikkelende strekking van de Volkslectuur, heeft critiek moeten ondergaan van die richting, welke in het algemeen de ontwikkeling van de Inlandsche maatschappij in modernen zin ongaarne ziet, terwijl de politieke strekking weer aanvallen had te verduren van revolutionaire partijen, die de Volkslectuur noemden een "benteng van het Gezag". En terecht: zij is trotsch op dien naam, zij wil inderdaad een vesting zijn van gezag en orde, waarin de maatschappelijke ontwikkeling in den ruimsten zin zich ongestoord zal kunnen ontwikkelen, tot onvergankelijken zegen der Inlandsche bevolking, en daarmee tot heil van het gansche Gemeenebest.

Dr. D.A. Rinkes.

^ Top

 

Sport en lichamelijke opvoeding - het zeilen

Behalve de opbloei van Engelsche balspelen en Zweedsche gymnastiek in de afgeloopen periode, zooals boven geschetst, valt ook meerdere animo te bespeuren voor het bij uitstek nationale pleizier-zeilen.

Reeds uit den Compagniestijd worden ons als plaatselijke gebruiken medegedeeld, dat autoriteiten zeil- of roeitochten maakten op baaien of rivieren, in navolging van oud-vaderlandsche gebruiken.

Voor zoover daarover thans nog te oordeelen valt, was het daarbij naar den geest des tijds behalve om de ontspanning, ook en misschien vooral te doen om de zinnen aangenaam te streelen door extra-spijs en drank.

Sedert is op de plaatsen die zich daartoe leenden, als Batavia, Makassar, een aantal plaatsen in de Molukken enz., de liefhebberij om zich op het water te verpoozen blijven leven, zonder dat het daarbij echter tot bepaalde organisatie kwam.

Dit laatste werd pas in 1910 verwezenlijkt, toen te Batavia werd opgericht de Bat. Jachtclub, welke zich sedert in een gestadig toenemenden bloei heeft mogen verheugen. Niet alleen dat het ledental toeneemt, doch ook het varend materieel — in de beginne meest Inlandsche vaartuigen, al of niet eenigszins omgebouwd — is aanzienlijk gemoderniseerd, en de club beschikt thans zelfs over enkele vaartuigen, zoowel zeil- als motorjachten, die overal ter wereld een goed figuur zouden maken. Zoowel door cursussen van tijd tot tijd, als door het onderlinge verkeer, wordt aan nieuwelingen de noodige kennis bijgebracht, terwijl door wedstrijden en clubtochten de animo wordt gestimuleerd.

Gezegd moet worden, dat er dan ook weinig plaatsen zijn, die zich zoo uitstekend leenen voor uitstapjes ter zee als de baai van Batavia.

Semarang bijv. e.a. plaatsen ter Noordkust hebben een te open reede gedurende een aanzienlijk deel van het jaar, en door het ontbreken van geschikte eilanden moet een uitgang zich daar meestal tot een vaag rondvaren bepalen. Te Soerabaja zijn de sterke stroomingen een verhinderende factor; diverse plaatsen op de Buitengewesten bieden evenzeer uitnemende gelegenheid, doch daar ontbreekt veelal het publiek, behoudend hier en daar een enkeling.

Bij de oprichting van de Jachtclub te Batavia is ook aan een afdeeling voor roeien gedacht. Geschikte vaarwaters ter beoefening van deze sport bestaan echter niet, en de liefhebberij daarvoor is dus weder geluwd. Te Soerabaja daarentegen wordt de roeisport min of meer geregeld beoefend.

Voor zwemmen bestaat in Indië jammer genoeg, weinig gelegenheid. In zee zijn het de haaien, in de groote rivieren de krokodillen, dan wel de stroomsnelheid, die de liefhebbers terug houden; men is dus aangewezen op toevallig aanwezige, meestal kleine bassins, die bovendien vaak vèrafgelegen zijn.

Alleen te Bandoeng, in het Bassin van Tjihampelas, wordt veel gezwommen en worden ook wedstrijden georganiseerd, en voorts te Batavia, bij de eilanden in de baai, in combinatie met zeiltochten. Toch zou het wel mogelijk zijn, om door onderlinge samenwerking meer te bereiken voor de algemeene beoefening dezer bij uitstek nuttige sport.

Dr. D.A. Rinkes.

^ Top

 

Slotwoord

Het is der Commissie van Redactie, die na beëindiging harer werkzaamheden kan terugzien op een groote schaar van welwillende medewerkers, een aangename verplichting om in dit laatste hoofdstuk al degenen te herdenken, die in meerdere of mindere mate hebben bijgedragen om deze uitgave te doen slagen.

Want, naar omstandigheden, is zij ten volle geslaagd.

Nadat het initiatief der Commissie steun had gevonden bij het Hoofd-Comité voor het Jubileum, werden alle te berde gebrachte bezwaren, welke voor een goed deel niet denkbeeldig waren, tijdens de enkele maanden waarin het plan tot uitvoering moest zijn gebracht, volledig overwonnen. Zelfs de groote vrees, dat de uiterst billijk geprijsde uitgave niet zou kunnen worden bestreden door het aantal inteekenaren, is zóó ongegrond gebleken, dat de oplage, vastgesteld op 3000 met Hollandschen en 2000 met Maleischen tekst, benevens 100 luxe-exemplaren, in Juli moest worden verhoogd tot respectievelijk 6000, 6000 en 250 exemplaren. Met uitzondering van 200 voor Nederland gereserveerde exemplaren was de oplage half Juli reeds geheel uitverkocht.

Daar een werk in Indië nimmer een eerste oplaag heeft gekend, zóó groot als die van dit gedenkboek, mogen we daaruit het heugelijke feit constateeren, dat het 25-jarig jubileum van Harer Majesteits regeering aller harten vervult. Het was gelijk een wedstrijd, zooals de aanvragen van Europeanen en Inlanders gelijken tred hielden en het kan gelden als een bewijs voor de voortschrijdende ontwikkeling van deze gewesten, dat een aantal van 6000 exemplaren verspreiding vindt onder de Inheemsche bevolking.

Dat de gelegenheid om tegen billijken prijs in het bezit te geraken van een boekwerk, bevattend denzelfden tekst en gelijke illustraties als dat, hetwelk Harer Majesteit wordt aangeboden, zoo algemeen wordt aangegrepen, spruit niet alleen voort uit behoefte aan lectuur en platen, doch manifesteert hoe de ontwikkelde Europeanen en Inlanders met Hare Majesteit en Haar Huis meeleven, hoe groot het verlangen is om de feestweek niet uitsluitend te wijden aan uiterlijk feestvertoon, doch om in gedachten te zijn bij Haar, te wier eere dit boekwerk het licht ziet.

Is de lijst van medewerkers, welke op de eerste bladzijden vermeld staat, reeds aanzienlijk, vrij wat grooter is het aantal hunner, die zoo licht over het hoofd worden gezien, die gearbeid hebben aan de details. Voor een tijdige voltooiing hebben tientallen van personen zich tot 's avonds laat ingespannen en ook hen willen we gedenken; daarom wordt een kort overzicht van den gang der werkzaamheden niet overbodig geacht.

Nadat het plan medio Februari door het Hoofd-Comité was goedgekeurd, werd aangevangen met de medewerking van de Pers in te roepen om aan het voornemen algemeene bekendheid te geven. De wijze, waarop zij zonder uitzondering haar belangrijken steun verleende en het plan toejuichte, pleit voor de groote eensgezindheid in nationale gevoelens en van liefde voor de Hoogste Gebiedster. Doch ook nadien stond de Pers gereed om bekend te maken hoe het aantal inteekenaren de 4, de 5, en tenslotte de 12 duizend naderde, had zij plaats om te vermelden, dat het boekwerk 20, 30 en tenslotte 37 vel tekst, de illustraties 8 vel druks zouden beslaan, vond zij aanleiding om, na bezichtiging van drukproeven en band, haar goedkeuring daarover uit te spreken en zelfs een woord van lof te wijden aan de redactie, op wie een zware taak rustte.

Ondertusschen werd de medewerking van autoriteiten ingeroepen om inteekenlijsten te doen circuleeren en tevens de gelegenheid opengesteld tot inteekening ten kantore van het Bureau voor de Volkslectuur, dat zich tevens met de distributie zou belasten. De werkzaamheden, verbonden aan de administratie en financiering van een boekwerk, dat over den geheelen Archipel verspreiding vindt, en dat alles bòven de dagelijksche bezigheden en beslommeringen, welke tengevolge van bezuinigingsmaatregelen in hooge mate zijn toegenomen, mogen niet wordne onderschat. Het woord "moe", dat in andere gevallen zoo spoedig over de lippen komt, werd niet gehoord, ook al werd tot 's avonds laat doorgewerkt, want begin Augustus moest alles klaar zijn en van hoog tot laag stelde een ieder er groote eer in om in werkelijkheid tijdig gereed te zijn, opdat het huldeblijk Harer Majesteit op 31 Augustus a.s. zal kunnen bereiken.

Nadat de Commissie van Redactie tot overeenstemming was gekomen omtrent de onderwerpen, aan welke een artikel zou worden gewijd, werden de personen, van wie verwacht mocht worden, dat zij één of meerdere onderwerpen ten volle zouden beheerschen, schriftelijk dan wel mondeling uitgenoodigd tot het vóór 15 Mei leveren van een bijdrage, beperkt tot een vooraf bepaald aantal bladzijden. Uit den aard der zaak moesten sommige genoodigden daarvan afzien wegens gebrek aan tijd of aan gegevens, dan wel wegens ongesteldheid; in andere gevallen was de groote afstand en ongunstige postverbindingen oorzaak van vertraging. Zoo ook werd tevergeefs uitgezien naar enkele artikelen, welke de Commissie gaarne had opgenomen, en waarvoor op het laatste oogenblik nieuwe bewerkers moesten worden gezocht, hetgeen niet in alle gevallen mogelijk was. Een woord van eerbiedigen dank aan Z.E. den Gouverneur Generaal Mr. D. Fock, die zich bereid verklaarde het eerste artikel te schrijven, is hier op zijn plaats.

Uit den aard den zaak zijn de medewerkers verantwoordelijk voor den inhoud hunner bijdragen, doch het zal geen verwondering wekken, als de Commissie hier verklapt, dat bij vele schrijvers op eenige beperking moest worden aangedrongen, andere een aanmoediging behoefden om de gestelde verhoudingen niet te veel uit het oog te verliezen. Redactie en correctie, teere punten bij de uitvoering van den arbeid, rustten geheel op de Commissie, omdat het tijdsverloop tusschen zetten en drukken als regel niet toeliet om den medewerkers vooraf een drukproef ter goedkeuring aan te bieden. Hoewel zich bewust in dit opzicht niet te hebben voldaan aan alle eischen, welke in geval van langdurige voorbereiding gesteld zouden mogen worden, vleit zij zich toch met de hoop, dat het aantal drukfeilen tot een minimum is beperkt.

Illustraties vormen een aantrekkelijkheid voor elk boekwerk. Daarom werd aan ieder medewerker verzocht foto's of zoo mogelijk cliché's beschikbaar te stellen, welke in aanmerking zouden kunnen komen om te worden opgenomen. Voor zoover de medewerkers niet aan het verzoek konden voldoen, zou de Commissie zelve uit de te Weltevreden en Buitenzorg aanwezige collecties een keuze doen.

Deze taak, benevens de verzorging van de geheele reproductie der illustraties, viel te beurt aan den Topografischen dienst, die zich met bekwamen spoed van de opdracht heeft gekweten. Voor het grootste deel moest deze arbeid in overwerk geschieden, zoodat weken aaneen de vrije uren tot 8 uur 's avonds en de zondagen vrijwillig werden opgeofferd door het personeel der photografische en lithografische werkplaats en der drukkerij. De werkelijkheid toch bleek niet in overeenstemming te zijn met de verwachting, dat een ruim gebruik gemaakt zou kunnen worden van beschikbare cliché's. Het bleek dat van de honderden cliché's, voornamelijk door de departementen beschikbaar gesteld, verreweg het grootste deel onbruikbaar was, als gevolg van oxydatie. Zoo waren voorde 273 illustraties en platen slechts 76 bestaande cliché's beschikbaar en moesten er 197 nieuw aangemaakt worden naar foto's, van welke er spoedshalve een 30 tal door den Topografischen dienst zelven moesten worden genomen. Voorts moesten de op de laatste bladzijden voorkomende portretten van de laatste zes Gouverneurs-Generaal, bij ontbreken van portretten, naar schilderijen worden vervaardigd.

Dat de Topografische dienst bij het dagelijksche werk de ruim 3.340.000 illustratieve afdrukken in dien korten tijd heeft kunnen vervaardigen, is een arbeidsprestatie, welke te danken is aan den goeden geest en de uitstekende samenwerking in het bedrijf.

Hare Majesteit stelde op ons verzoek Haar portret beschikbaar, dat op de eerste bladzijde is afgedrukt en als zoodaning de waarde van het boekwerk verhoogt.

De Commissie had zich voorgesteld voor de banden van alle boekwerken met Nederlandschen tekst Ponorogo(boombast)papier te bezigen, doch wegens uitputting van den grondstofvoorraad moest voor 1/5 der banden een andere overeenkomstige papiersoort worden gezocht. De exemplaren met Maleischen tekst zijn gebonden in zwartlinnen band, voorzien van een titel in gouden letters. De band der luxe-exemplaren en van het aan H.M. de Koningin aangeboden exemplaar is ontworpen door den heer D. Rühl te Bandoeng, die eveneens de fraaie opdracht van het werk aan Hare Majesteit heeft geteekend.

Het exemplaar voor H.M. de Koningin wordt aangeboden in een gedreven zilveren doos, welke onder leiding van den controleur B.B. Heyting en I. Goesti Poetoe Djelantik, lid van den raad van Kerta's, vervaardigd is door den Balineeschen zilversmid J. Kaler.

De firma G. Kolff & Co., welke op de meest billijke voorwaarden de geheele typografische verzorging van den tekst op zich had genomen, komt een woord van grooten dank toe voor de betoonde medewerking en van lof voor de uitvoering.

Ten slotte moge worden vermeld, dat niet alleen de samenstelling en uitvoering in Indië heeft plaats gehad, doch dat ook het papier voor den tekst is geleverd door de papierfabriek te Padalarang.

In het prospectus werd door de Commissie van Redactie de verwachting uitgesproken, dat dit Gedenkboek niet enkel zou worden een gelegenheidsuitgave, doch ook en vooral een sprekend blijk zou zijn van Indië's grooten vooruitgang, dat het daardoor een gedenkboek zou worden van en voor allen, die den besten tijd van hun leven aan Indië geven, meer in het bizonder voor hen, die tijdens de laatste 25 jaar hun krachten aan de ontwikkeling van deze gewesten hebben geschonken. Naar het oordeel der Commissie is ook dit doel van het werk ten volle bereikt.

Mogen de vele wenschen, door de verschillende medewerkers in hun bijdragen tot uiting gebracht, in een volgend 25-jarig regeeringstijdperk tot vervulling komen!

De Commissie van Redactie, L.F. van Gent, W.A. Penard, Dr. D.A. Rinkes.

^ Top


Indië in woord en beeld - Pictorial Netherlands East-Indies

Topografische Inrichting, Weltevreden 1924.

 

Introduction

When both editions (Dutch and Malay) of the Memorialbook from the Dutch East-Indies were sold out so many applications kept pouring in, that a second edition was contemplated. On account of a variety of reasons the editing-commission considered it impractical to proceed with a complete reprint, but it was thought possible to issue a separate edition of the illustrations. An increased number of same, and the less suitable ones substituted by better pictures would give a clear, although incomplete, idea of the Netherlands' Indies; the necessary connections could be provided by the addition of some reading matter and explanatory titles.

After the Chairman of the Chief Committee, Dr. E. Moresco, had sanctioned this proposal, the Commission could commence the execution of its programme. In harmony with the prospectus issued the pictorial atlas is published under the title of: "Pictorial Netherlands East-Indies", with Dutch-English text, whilst this same illustrated work is also being issued in Dutch and Malay, through the intermediacy of the Department for Native Literature.

The Commission considers it their duty to express their thanks both to the Topographical Service at Weltevreden, which edited the publication, and to those whose photographs are inserted and who contributed articles, such as Mr. Hl van Meurs, the writer of Chapter II and the first part of Chapter IV, the secretary of the Commission, Capt. F.H. von Meyenfeldt and so many others whose cooperation is valued to the full.

It is hoped that this illustrated work may be a pleasant remembrance to those who did find a sphere of activity in the Indies.

The Commission, L.F. van Gent, W.A. Penard, Dr. D.A. Rinkes.

^ Top


De Indische Bodem

Samengesteld onder redactie van Th. Ligthart, Ir. P. Hövig en Dr. D.A. Rinkes met medewerking van vele deskundigen.

Met 2 gekleurde kaarten en 3 gekleurde platen buiten den tekst en 327 illustraties in den tekst.

Drukkerij Volkslectuur - Weltevreden 1926.


Het Indische boek der zee

Het Indische boek der zee Samengesteld onder redactie van Dr. D.A. Rinkes, N. van Zalinge en J.W. de Roever met medewerking van vele deskundigen.

G. Kolff & Co., Batavia, Weltevreden, Leiden.

 

Voorbericht voor den eersten druk

Het is met een gevoel van voldoening, dat de Commissie van Redactie dit voorwoord opstelt, nu het werk zelve gedrukt voor haar ligt.

Die voldoening wordt niet veroorzaakt, doordat zij haar werk, haar aandeel daarin, zoo onberispelijk of volmaakt vindt, maar wel dat zij de zelf opgenomen taak zonder veel tegenspoed en zonder aan de in het prospectus gedane toezeggingen te kort te doen, heeft mogen voleindigen.

Immers, in Holland of elders in Europa wordt als regel een dergelijk werk in hoofdzaak door één persoon, met enkele deskundige medewerkers, geschreven, die reeds van te voren blijken hebben gegeven, beknopt en aantrekkelijk te kunnen stellen en overigens zekere studie van de betrokken onderwerpen hebben gemaakt.

In Indië bestaan zulke personen ook wel, doch zij zijn dan meestal reeds zoodanig met ander werk belast, dat het geheel wijden aan deze bijzondere taak voor een vrij lange periode vrijwel uitgesloten moet worden geacht.

Men dient dus een anderen weg in te slaan, en moet de te behandelen stof in een aantal min of meer afgeronde onderdeelen splitsen, zoodat:

ten eerste de behandeling van een enkel artikel daaruit voor de beschikbare deskundigen boven hun eigenlijken arbeid, uitvoerbaar is, en

ten tweede, hunne belangstelling en bereidwilligheid al van nature mag worden verwacht, daar het betrokken onderwerp binnen de sfeer van hun gewonen werkkring valt.

Deze werkwijze heeft het voordeel, dat men elk onderdeel door een bij uitstek deskundige persoon behandeld krijgt, die het onderwerp geheel meester is, die schrijft uit de volheid van zijn weten, en met liefde voor zijn taak, de eenige wijze om populair te zijn in den goeden zin des woords.

Daarentegen is het een nadeel dat de eenheid van conceptie weleens in het gedrang komt, doordat ieder uiteraard naar eigen stijl en opzet produceert, en de een zich nu eenmaal gemakkelijker en vlotter uitdrukt dan de ander, terwijl bovendien de meeste onderdeelen niet scherp te scheiden zijn; gedeeltelijk zelfs in elkaar overgaan, zoodat men kans loopt, dat sommige punten op meer dan ééne wijze behandeld worden.

Het is o.m. de taak geweest van de Commissie van Redactie, uit al die verschillende stukken een goed geheel te vormen, zonder daarbij verantwoordelijkheid voor den inhoud op zich te nemen.

Integendeel, zij heeft de medewerkers volle vrijheid tot behandeling van ieders onderwerp, mits blijvend binnen het kader van het boek, en met vermijding van bepaalde polemiek, gegeven, en de verantwoordelijkheid voor den inhoud rust dan ook op de samenstellers zelve, ieder voor zijne eigen bijdrage.

En mocht een of ander artikel onbevredigend worden bevonden, dan bedenke men, dat het werd opgesteld onder anderen arbeid van een drukken werkkring door, in de oogenblikken, die men kon ontwoekeren, en voorts zonder veel litteratuur of voorlichting omtrent de punten, waarop zulks nog gewenscht ware geweest.

Bovendien, dit werk is niet bedoeld als hand- of leerboek: dan zou er over welhaast ieder artikel een afzonderlijk, volumineus deel geschreven kunnen zijn. De bedoeling is geweest, den belangstellenden ontwikkelden leek zoodanig kennis van de Zee en wat daarbij behoort, aan te bieden, als voor leden van een zeevarend volk gewenscht moet worden geacht.

Met groote erkentelijkheid maakt de Commissie melding van de bijzondere bereidwilligheid, waarmede nagenoeg ieder, die zij om een bijdrage vroeg, aan haar verzoek heeft voldaan: ook hieruit is weer mogen blijken, dat men van vlotte en prettige samenwerking bij de mannen van de Zee, bij allen die eenige, hoe verwijderd soms ook, aanraking met het Zoute water hebben, steeds verzekerd kan zijn, hetgeen de taak der Commissie dan ook aanzienlijk heeft verlicht.

Uit den inhoud kan blijken, dat niet alleen de tekst, maar ook het aantal illustraties aanzienlijk grooter is geworden dan is toegezegd: met name zijn ook een aantal fraaie autotypieën en kaarten buiten den tekst toegevoegd; de vergroote oplage en de steun, eerst van Z. Ex. den Vice-Admiraal, de nationale Stoomvaart Maatschappijen en de Bataviasche Jachtclub door inteekening, en later vrijwel van alle andere zijden ondervonden, heeft Volkslectuur daartoe in staat gesteld.

Meer in het bijzonder wenscht de Commissie hierbij de aandacht te vestigen op de reproductie van eene oude zeekaart van Java in tweede bladen, vervaardigd door den Topographischen Dienst, welke geheel bekostigd is uit bijdragen van eenige notoire personen, die hunne belangstelling voor dit werk aldus uitdrukking hebben gegeven, en voorts met medewerking van Z. Ex. den Legercommandant.

De Commissie twijfelt niet of de koopers zullen deze gulheid op de volle waarde stellen, en den milden gevers dank weten voor deze extra-toegift.

De Commissie van Redactie:
Dr. D.A. Rinkes.
N. van Zalinge.
J. W. de Roever.

Weltevreden, Maart 1925.

^ Top

 

Voorbericht voor den tweeden druk

De tweede druk van Het Indische Boek der Zee wordt door de Commissie van Redactie met buitengewoon veel genoegen hierbij ingeleid.

De tweede uitgaaf immers is een verblijdend feit, want er wordt door bewezen dat het boek "gewild" is, en dat het algemeene belangstelling heeft mogen vinden ook buiten de kringen waarvoor het speciaal bestemd was. De zee en het varen blijken nog immer groote aantrekkelijkheid te hebben voor ons volk.

Binnen korten tijd was de oplaag geheel uitverkocht, terwijl er zoowel in Indië als in Nederland nog voortdurend vraag naar het werk bleef bestaan.

"Volkslectuur" kon echter geen tweede uitgaaf ondernemen: haar persen waren te veel door ander werk in beslag genomen. Doch gelukkig toonde de firma G. Kolff & Co. zich bereid een tweeden druk te bezorgen, die, naar wij vertrouwen, een even goed onthaal zal vinden als de eerste uitgaaf.

Het spreekt van zelf dat van de gelegenheid is gebruik gemaakt om aanvullingen en verbeteringen aan te brengen; tot ons leedwezen moest echter de kaart van Java van omstreeks 1700, die aan den eersten druk was toegevoegd, bij deze uitgaaf vervallen.

De Commissie vd., Dr. D.A. Rinkes, N. van Zalinge, J.W. de Roever.

Weltevreden, Februari 1927.

^ Top

 

Inlandsche vaartuigen

In een eilandenrijk als Nederlands-Indië nemen naast de stoomschepen de prauwen uiteraard een vrij belangrijke plaats in als middel van transport.

Zoowel voor de verbinding tusschen de eilanden onderling, maar nog in grootere mate voor de vaart op de binnenwateren, vooral in de Buitenbezittingen, waar nog groote uitgestrektheden onontgonnen en dus van spoorwegen en dikwijls ook van andere wegen verstoken zijn, vormen de Inlandsche vaartuigen een zeer belangrijken factor in de personen- en goederenvervoer als ook van de post.

Wel zijn er tot vrij ver het binnenland in verbindingen met stoombarkassen en hekwielers doch boven deze plaatsen, waar de rivieren door stroomversnellingen en steenen voor stoomscheepjes moeilijk of in het geheel niet meer bevaarbaar zijn, is men uitsluitend op prauwen aangewezen.

Plaatsen en streken aan zijrivieren zoeken ook door middel van prauwen verbinding met den hoofdstroom, waar voor verder vervoer gebruik kan worden gemaakt van stoomscheepjes.

Aldus worden allerlei vaartuigen, zelfs in hunnen eenvoudigsten vorm, h.t.l. als transportmiddel aangewend.

Daarnaast komt dan het veelvoudig gebruik voor de visscherij, zoodat er alleszins aanleiding is, de veelheid in typen en vormen nader in beschouwing te nemen.

WORK IN PROGRESS...

H. Wijnstok met aanvullingen door Dr. D.A. Rinkes.

^ Top

 

De Bataviasche jachtclub in 15 jaren

Balai Poestaka Zooals uit verschillende gegevens blijkt, heeft het pleizier-varen te Batavia reeds in Compagnies-tijd beoefening gevonden, zelfs onder de hoogsten in den lande en zoo vindt men op het eiland Alkmaar nog de resten van de koepel of het speelhuis, dat de G.G. Camphuis daar bezat.

Intusschen droeg zulks klaarblijkelijk meer het karakter van verpoozing, van ontspanning in algemeenen zin, waarbij naar oud-vaderlandschen trant de gelegenheid om zich eens bijzonder aan spijs en drank te goed te doen van méér gewicht was, dan de sport-beoefening.

Sedert is een en ander bij de hooggeplaatsten in onbruik geraakt en in de latere tijden waren het hoogstens nog enkele Batavianen, die voor een pic-nic, of om te visschen, de wateren van de baai nu en dan voor hun genoegen bevoeren.

In het begin dezer eeuw kwam echter het pleizier-zeilen als sportieve bezigheid langzamerhand op, en in het eerste decennium waren er reeds een aantal liefhebbers, die min of meer geregeld op vrije dagen uittrokken en de prachtgelegenheid tot kalme zeilsport, die de baai van Batavia biedt, benutten ten profijte hunner gezondheid en levenslust. Ik noem hier alleen de heeren Menke en Reinst Bok, wier groene grijsheid bewijst, dat zij er wèl bij gevaren zijn.

Het vaartuigen-materiaal, dat deze en andere heeren ten dienste stond was meest van lokalen oorsprong, evenals elders in den beginne, bij ontluikende liefhebberijen, en bestond eenerzijds uit Inlandsche vaartuigen, in huur of in eigendom, anderzijds uit scheepssloepen, die men als jacht adopteerde.

Doch ook toen reeds lieten enkele der meer geregelde zeilers van elders speciaal gebouwde jachten met ontegenzeggelijk veel betere zeil-kwaliteiten uitkomen, zonder dat echter aanstonds het andere materiaal, dat ook goede eigenschappen bezit, daardoor op zij werd gedrongen, terwijl ook de Paula II, gebouwd op de werf Berendsen te Djoeana, nog uit dien tijd dateert.

Een dier uitgekomen scheepjes, een Brembridge clubboot, de Lotus, al in 1907 te Batavia gekomen, is nog steeds in goede conditie en wordt door den eigenaar, den heer Groenemeyer, geregeld voor zijne tochten gebruikt.

Intusschen ging het zeilgenot gepaard met allerlei inconveniënten, als opberging van het losse materiaal, ligplaats en onderhoud van het vaartuig, het zeilreemaken voor den volgenden keer, en aldus rijpten van zelve, toen het aantal liefhebbers eenmaal groot genoeg was, de ideeën om door onderlinge aansluiting, door organisatie, die bezwaren op te heffen, omdat de individueele oplossingen uiteraard onbevredigend bleven.

Zoodat het geen verwondering kan baren, dat zich, toen de volheid der tijden aangekomen was, een club vormde, die in de gezamenlijke behoeften zou kunnen voorzien.

De directe aanleiding is geweest een zeilwedstrijd, die in 1910 te Tandjong Priok werd gehouden en waar de deelnemers thans nog met ontroering van weten te gewagen. Want het behoeft geen betoog, dat de liefhebberij al spoedig tot nobelen wedijver had geleid, evenals trouwens bij alle andere takken van sport; het is nu eenmaal een onvermijdelijke, en trouwens een alleszins lofwaardige bijkomstigheid van de sportieve mentaliteit, dat men de eerzucht heeft, boven zijn buurman te willen uitmunten; vooral komt dit bij de zeilsport uit, daar het wedstrijdzeilen, tenminste in de meer eenvoudiger vormen, niet bovenmate meer inspanning eischt en, naast de eigenschappen van schip en tuigage, toch ook de vaardigheid van stuurman en bemanning een aanzienlijke factor vormt voor succes.

Welke vaartuigen en welke stuurlui in 1910 de winnaars waren, zal ik maar niet uit het stof der archieven trachten op te diepen, genoeg zij, dat de gekweekte geestdrift voldoende was om de aaneensluiting, waarvan allang behoefte bestond, tot stand te brengen, en wel onder den naam: Bataviasche Jachtclub, met als eerste bestuur de heeren:
Mr. P.Chr. Groenemeyer, Voorzitter.
A.E.C.V.H. Veerman, Secretaris.
J. Admiraal, Penningmeester.
Mr. A.J.G. Maclaine Pont, C. de Koning, H. Menke, A.W. Nielsen, Commissarissen.

Als ligplaats werd, nadat een tijdlang de Stadsherberg en de oude sleephelling der Marine aan de Kali Besar voor ligplaats was gebezigd, en daarna een vergeefsche poging was gedaan, den havenkant te bekomen, waar thans het Laboratorium voor het Onderzoek der Zee is gebouwd, een terrein gevonden bewesten de Pasar Ikan, waar vroeger de zoogenaamde Vierkantsbrug over de Kali lag, (de pijlers staan er nog steeds). Dit bood de voordeelen van gemakkelijke toegankelijkheid, langs de Werfstraat en voorbij de Uitkijk (men ziet: het was klassiek terrein, dat vooral in den Compagniestijd een centrum van verkeer is geweest), terwijl men bovendien achter de sluis lag, dus in zoet water, zoodat de verwoestingen van den paalworm niet te vreezen waren. Deze zouden immers, zoo vreesde men, vooral voor de speciale wedstrijd-jachten, met hare dunnen huidbeplanking, fataal moeten zijn.

Een paar loodsen voor rondhouten en dergelijke, een mandoerswoning, en een clubhuis met de noodige zeilkooien, met gelegenheid tot verkleeden bij thuiskomst van een tocht, alles zeer eenvoudig, werden ter plaatse gebouwd en het pleit voor het goede, practische inzicht der eerste bestuurders, dat latere generaties feitelijk niets aan den geschapen toestand te verbeteren of te veranderen wisten.

Niet, dat men altijd tevreden en voldaan is geweest over dezen eersten opzet, en ontegenzeggelijk heeft de gevonden oplossing eenige ernstige bezwaren, doch voor de behoeften van dien tijd en nog vele jaren nadien was men alleszins voorzien, en de geschapen gelegenheid heeft gemaakt, dat de beoefening van de zeilsport te Batavia niet alleen heeft stand gehouden, ondanks concurrentie van zoovele andere ontspanningen, die sedert zijn opgekomen en populair geworden, doch zich ook in verschillend opzicht heeft kunnen ontwikkelen en uitbreiden.

Gaan wij die ontwikkelingsgeschiedenis gedurende de 15 jaren, dat de club thans bestaat, even in het kort bespreken.

In de eerste plaats merken wij op, dat het Inlandsche zeiltuig in den loop der jaren geheel is verdrongen.

Hoe goed n.l. voor de uitoefening van het visschersbedrijf, en hoe snel ook bij lichten wind, heeft dat tuig voor pleiziervaren het bezwaar, dat de behandeling een niet geringe ervaring vereischt, die slechts weinig liefhebbers bezitten en minstens 3 à 4 personen, zoodat men genoodzaakt is, met betaalde krachten te varen en dus feitelijk passagier op zijn eigen schip te zijn.

Bovendien is het voor opkruisen vrijwel geheel ongeschikt. Het is thans, ook op de Inlandsche pleiziervaartuigen, door het fok- en gaffelzeil vervangen, een Nederlandsche uitvinding, zooals men weet, welk tuig wel meer touwwerk eischt, doch eenvoudiger en veiliger is in de behandeling. In korten tijd kan ieder daarmee leeren omgaan en zich zelf verder redden.

Een noodzakelijk gevolg, dat niet aanstonds gelijkmatig werd gevoeld, doch thans ook algemeen is geaccepteerd, is het aanbrengen, eerst van een middenzwaard, later meer algemeen van een vaste zeilkiel onder den gladden bodem dier vaartuigen, wel is waar ten koste van de snelheid, doch tot verhooging van de bezeildheid van het vaartuig.

Gaat men een dergelijk vaartuig dan nog eenigszins opboorden en van eenigen ballast voorzien, dan heeft men een behoorlijk zeewaardig scheepje, met eenig comfort, redelijke snelheid, voor betrekkelijk zeer geringen prijs.

Als voorbeelden van Inlandsche vaartuigen met middenzwaard noem ik de Gaga, van den heer Wiemans, en de Gier, van div. eigenaren, vaartuigen die hun snelheid als Inlandsche prauw hebben behouden. Met kiel voorzien is de Deny, van den heer de Bie, terwijl de Eabarre, van den heer Tigler de Lange e.a. en de Anke, van Dr. Rinkes, beide mogen dienen als voorbeelden van geheel tot bruikbare jachten omgebouwde Inlandsche vaartuigen.

Een voorbeeld van een scheeps-sloep, tot pleizier vaartuig vervormd, biedt de Teddy van den heer Best, die door groot tuig een zeer goede vaart loopt, doch dan ook deskundige behandeling vereischt.

Anderen blijven een gladde kiel, wegens de geringe diepte, prefereeren, doch rusten zich dan uit met een krachtigen hulpmotor, zooals de heer Görs met de Willy, en de heer Bogaard met de Meteor.

Voordat men deze ervaringen echter had opgedaan, was het materiaal reeds aanzienlijk vermeerderd, zoowel door aanbouw in Indië, als verdere aanvoer van elders.

De Paula II van den heer Menke is gebouwd op de werf Berendsen te Djoeana, en voor zeilen wat rank, doch voortreffelijk door een hulpmotor. Dit jacht heeft in de afgeloopen jaren vooral Str. Soenda in alle richtingen doorploegd en is aan die kusten dus goed bekend.

De Pandora, thans van den heer Kievits, gebouwd in Australië, met hulpmotor, is een veilig en aangenaam familieschip.

De Pinguin, thans van Mr. Ouwerkerk, gebouwd als cat-boot bij de Droogdok Maatschappij doch thans ook met gewoon fok- en gaffelzeil getuigd, is zeer comfortabel, alleen in zware deining wat wild.

De Flowery Pecco, van den heer Hamaker, een groot motorschip, gebouwd bij de Droogdok Mij., vooral voor de jagers-sport gebezigd tot zelfs in Djambi.

De Barent Fockesz, een fraai motorvaartuig van den heer van Motman, bij Linde-Teves gebouwd, uitsluitend voor kalm sportief vermaak.

De drie laatstgenoemde vaartuigen werden ontworpen door den heer C. de Koning, een van de oprichters en eerste bestuursleden der club.

Uit Holland werd aangebracht de Neerlandia, door wijlen den heer Admiraal, die zoovele jaren de club als penningmeester voortreffelijk heeft gediend. Dit fraaie wedstrijdjacht is later onder anderen naam, terwijl het door de eigenaren was uitgeleend, door nalatigheid, op het strand gekomen en stuk geslagen.

In de laatste jaren zijn de Pieternel van Mr. Maclaine Pont en de Balai Poestaka (ex-Psyche) van Dr. Rinkes uit Holland aangebracht, beide voortreffelijke zeiljachten, waarmee zonder bezwaar grootere tochten ondernomen kunnen worden.

Het is hier de plaats, met groote erkentelijkheid te gewagen van de uiterst tegemoetkomende houding van de beide nationale Stoomvaart Mijen, de Mij. Nederland en de Rott. Lloyd, die in 1921 hebben bepaald, dat jachten van leden der B.J.C. voortaan vrachtvrij met een der schepen dier Maatschappijen vervoerd kunnen worden, zulks ter aanmoediging der zeilsport in Indië.

Uit Hongkong kwamen o.m. de Luna, thans Lady Tilly genaamd, van den heer Rode, en de Stella, thans van de gebrs. Langheim, beide snelle vaartuigen, en bij de wedstrijden geregelde prijswinnaars. Wegens diepe kiel en weinig ruimte binnen, zijn zij voor gewone tochtjes, waaraan meestal het bezoek van een der eilanden verbonden is, minder geriefelijk. In aangename herinnering zijn gebleven de tijden, dat deze schepen met eenige, sedert vervallen jachten een goed bezette wedstrijdklasse vormden, die wij thans noode missen.

De Frisia, thans van de heeren Onderwater en Veth, een klein, doch uiterst zeewaardig scheepje, ook door één man wel te hanteeren, is wel veel minder snel, doch meer comfortabel, en door hoog vrijboord ook buiten de baai nog voldoende veilig.

Eveneens uit Hongkong komt de Bestevaer, van de heeren Otten en Zwagers; dit jacht is volgens teekening der (internationale) 75 meter klasse gebouwd, echter geheel onder Hollandsche leiding, zoodat wij het wel als nationaal mogen beschouwen. Het is een fraai en snelzeilend vaartuig, ook geschikt voor langere tochten.

Ook de Marine droeg het hare bij, door den aanbouw van de Juliana, een zeer stabiel jacht, dat steeds ter beschikking staat van de ter plaatse vertoevende zeeofficieren.

Het club-leven is in den loop der jaren steeds opgewekt geweest, terwijl door zeilwedstrijden, als ook door clubtochten, met daaraan verbonden waterspelen, de belangstelling ook van de leden, die niet in het bezit van vaartuigen zijn, gemakkelijk op peil wordt gehouden, ondanks de vele mutaties, waaraan iedere vereeniging of club h.t.l. onderhevig is.

In vroegere jaren werden voorts gegevens, van belang voor de vereeniging, in een geïllustreerd jaarboekje onder de leden verspreid, voor het laatst in 1916. Daarna werd zulks te kostbaar geacht, wegens stijgende drukkersprijzen.

Die zeilwedstrijden, nu drie à vier per jaar, soms te T. Priok, doch meestal te Batavia aan de monding van het havenkanaal gehouden (men is dan na afloop dichter bij de ligplaats), getuigen van den prettigen geest onder de leden: hoewel er zelfs geen bepaald reglement is, en alleen met enkele bepalingen nopens afvaart en route wordt gewerkt, komen nooit bisbilles voor. Sportiviteit maakte tot nu toe de strenge regels onnoodig, die elders zoo vaak tot chicanes voeren en in avocasseries ontaarden; wel worden de hoofdregels tot leidraad genomen. De wedstrijdbaan wordt als regel zoodanig gekozen, dat de toeschouwers vanaf het terrein bij den vuurtoren den gang vrijwel geheel kunnen volgen, terwijl zij voorts bij de prijsuitdeeling door toejuichingen van hun meeleven met de gebeurtenissen kunnen doen blijken. De prijzen bestaan, behalve uit eenvoudige kunst- of gebruiksvoorwerpen, uit wisselbekers, door belangstellende personen of lichamen uitgeloofd (Z.E. de G.G., de Vlootvoogd, als regel tevens Beschermheer der club, de K.P.M., de heer Zeilinga, e.v.a.m.), en waar dikwijls hardnekkig om wordt gestreden. Er zijn gevallen, dat een beker pas na vijf jaar zeilen definitief werd gewonnen.

Eens per jaar wordt een lange afstand-wedstrijd gehouden, hetzij overdag, dan wel 's nachts, waarbij de kwaliteiten van de vaartuigen en de navigatiekunst der bemanning op een ietwat zwaardere proef wordt gesteld. Een en ander onder de noodige voorzorgsmaatregelen tegen ongelukken.

De B.J.C. heeft in het najaar 1912 een poging gedaan tot het verzamelen van oude roeiers ter oprichting van een Roeivereeniging. De poging is, door het gebrek aan volharding bij de roeiers, niet geslaagd.

Speciaal mogen hier nog de wedstrijden te Tandjong Priok in 1913, en in 1923, ter gelegenheid van de Onafhankelijkheidsfeesten, resp. het 25-jarig Jubileum van H.M. de Koningin, in herinnering worden gebracht, waarbij op zoo gunstige wijze met de nationale Stoomvaart Mijen en het Havenbestuur werd samengewerkt.

De cursussen, van tijd tot tijd geëntameerd om beginnelingen kennis bij te brengen, en waarvoor het eerelid, de heer IJkema, indertijd leider van den Zeevaart-cursus aan de P.H.S., zich veel moeite gaf, hebben slechts matig succes gehad. De meesten prefereeren de studie op het water boven die in het schoollocaal; bovendien zijn er altijd wel meer ervaren leden, die de beginners meenemen op hunne tochten, en ze dan zooveel wijsheid en handigheid trachten bij te brengen, dat zij zich zelf kunnen behelpen, zoodat de leden elkaar wel opvoeden in kennis en ervaring van de zoute Zee. Veel hebben destijds tal van leden van de B.J.C. geleerd van wijlen den heer D. Vlietstra, zoon van een palingschipper uit Heeg, die van a tot z op zeilgebied een deskundige was.

Ongevallen komen dan ook weinig voor, en zijn tot nu toe steeds zonder fatale gevolgen geweest. De gunstige gesteldheid van de baai, en het als regel kalme weer zijn daarbij echter mede belangrijke factoren.

Grootere tochten, behalve het geliefde uitstapje naar de Duizend-eilanden, waar de heer Görs met de Willy eene frequente verschijning is, worden betrekkelijk weinig gemaakt.

Behalve de heeren Menke en Hamaker, beide vooral om te jagen, hebben alleen de heer Koolhaas in Bestevaer (Soerabaja), Dr. Rinkes in Balai Poestaka (Lampongs), de heer Kievits in Pandora (Zutphen eil.) en de heer van Motman in Barent Fockesz (Banka en Palembang) zich iets verder van huis begeven. Meestal ontbreekt de tijd om wat langer dan een week of 14 dagen uit te breken, en de te bezoeken plaatsen bieden als regel te weinig verschil met hetgeen men dichter bij huis ook kan genieten, zoodat de prikkel ontbreekt. Met verdere tochten (Singapore, de Molukken, Australië) zijn welhaast maanden gemoeid en als men over zóóveel tijd beschikt, vindt men allicht andere benutting daarvan.

De relaties met andere vereenigingen van gelijke strekking bepaalden zich in hoofdzaak tot die met de Koninklijke Zeil- en Roeivereeniging te Amsterdam, die van hare belangstelling blijk gaf o.a. door het schenken van een fraaien voorzittershamer.

De B.J.C. is vooral door de bemoeienissen van Mr. Maclaine Pont en Ir. Doedes (van de K.Z.V. de Kaag) en den heer R. Reinst Bok op de jacht-revue ter eere van het 25-jarig jubileum van H.M. de Koningin in Amsterdam vertegenwoordigd geweest met een kleine, doch fraaie kolek, de "Hormat", waarom de Koninklijke haar jongere zuster een herinneringsplaquet vereerde, welke kort geleden door haren Vice-president, den heer Blom, aan het Bestuur der B.J.C. werd overhandigd.

Alles met alles mogen de wisselende leiders en leden der B.J.C. met voldoening op het afgeloopen tijdvak, dat welhaast 15 jaren zal zijn, terugblikken, en de toekomst, die groote mogelijkheden schijnt te openen, met vertrouwen tegemoet zien.

Gedeeltelijk zijn deze reeds verwezenlijkt door de tot standkoming in 1926 van een fraai clubgebouw te Tandjong Priok, en de aanwinst van een aantal snelle jachten, der 75 M2 klasse e.a. Bovendien nemen de Marine en Koopvaardij thans geregeld aan de wedstrijden deel, welke te T. Priok worden gehouden met het nieuwe terrein aldaar als centraal punt, hetgeen de animo aanzienlijk heeft verhoogd.

Het aantal leden is dan ook in den loop van 1926 meer dan verdubbeld.

Tegenwoordige samenstelling v.h. Bestuur:
(Op 1 Jan. 1926).
Z.E. Vice-admiraal A.F. Gooszen, Beschermheer.
Dr. D.A. Rinkes, Voorzitter.
...................., Vice-voorzitter.
Mr. W.M. Ouwerkerk, Secretaris.
G.H. van Asperen, Penningmeester.
H.P. Menke, J.M.B. Gelink, J.L. Bausch, Commissarissen.

Dr. D.A. Rinkes.
Hoofd-Ambtenaar voor de Volkslectuur e.a.a.

^ Top

 

De vliegende Hollander (1)

Het is een algemeen verbreid begrip, dat de vertellingen, welke wij als sagen, legenden, of mythen kennen, in oorsprong tot het verre, verre verleden teruggaan, uit voorhistorische tijden, uit de kindsheid van het menschdom stammen.

Toch is dit geenszins altijd juist: van een groot aantal verhalen kan men het tijdstip van ontstaan min of meer definieeren, en ook historische feiten aanwijzen, die tot het ontstaan kunnen of moeten hebben bijgedragen.

Tot deze groep behoort ook de legende van den Vliegenden Hollander, die wij ons welhaast allen in de bewerking van Marryat uit onze jeugd herinneren en waarvan de vermoedelijke historische achtergrond het verband met Indië legt, zoodat zij in dit boek even kort besproken mag worden.

Evenals bij de meeste van dergelijke legenden kan men gaan bepaalden auteur aanwijzen, ook al bezit men over het eerste voorkomen in de litteratuur vrij stellige gegevens: wel treden meestal onder de bewerkers van de stof enkele schrijvers op den voorgrond, wier lezing om een of andere reden bijzonder de aandacht heeft getrokken.

Bij den Vliegenden Hollander is het vooral de reeds genoemde schrijver Marryat geweest, die aanzienlijk tot het bekend worden van deze legende, ook buiten het zeevarend publiek, heeft bijgedragen, terwijl de opera-versie van R. Wagner, hoewel geheel verschillend van opzet, tot die bekendheid heeft medegewerkt in weer andere kringen.

Volgens Marryat's verhaal heeft schipper van der Decken, uit Terneuzen, bij de Kaap grooten tegenspoed, maar hij wil toch doorzetten. Zijn stuurman, die terug wil, gooit hij overboord, en hij zweert dan bij een reliek van het Heilige Kruis, dat zijn vrouw in een Medaillon draagt, te zullen volharden . . . . . . "tot aan den dag des Oordeels", welke vervloeking zich afteekent tegen een donkere wolk.

In een droomverschijning heeft hij een en ander aan zijne vrouw kunnen openbaren, en zij zou nu het liefst haar zoon van de zee af willen houden. Deze komt echter te weten, hoe hij zijn vader van den vloek kan verlossen, namelijk door hem op het dek van diens schip de reliek te brengen, waarbij deze gezworen heeft.

Hij gaat op reis en ondervindt daarbij voortdurend last van een doodsbleeken, eenoogigen loods, blijkbaar de geest van den verdronken stuurman, doch na diverse ontmoetingen met het spookschip, slaagt hij toch erin, zijn vader te ontmoeten, en de vervloeking af te wenden, waarop het schip met alle hebben en houden vergaat.

Op te merken valt, dat de ontmoetingen steeds bij de Kaap plaats hebben, en daarop meestal schipbreuk of zware malheur volgt.

Vooral ook, dat men het spookschip, in vliegenden storm, onbekommerd voor top ziet varen, soms wel door het eigen schip heen zeilen, een trek, die ook in verschillende andere bewerkingen van deze legende voorkomt. Alleen later, toen door de stoomvaart ook allerlei menteele veranderingen in de zeevaart waren gekomen, wordt het zien van den Vliegenden Hollander langzamerhand tot een figuurlijke uitdrukking van bar slecht weer, waarbij het opgejaagde schuim vreemde impressies kan geven.

Bij Wagner is vooral de verbreking van de vervloeking geheel afwijkend behandeld. Deze kan slechts geschieden, als hij eene vrouw huwt, die hem oprechtelijk trouw is tot in den dood. Ten einde hem gelegenheid tot de noodige voorafgaande vrijage te geven, mag hij eens in de zeven jaren aan land gaan en zich een meisje uitzoeken. Aldus geschiedt, doch telkens loopt het mis, en de grappenmaker Heine, die deze stof waarschijnlijk aan Wagner heeft verschaft, veronderstelt dat de zeekapitein enkele malen wellicht nog blij toe is geweest, weer te moeten gaan zwalken op het zoute water, waardoor hij meteen van zijne vrouw verlost zou raken.

Intusschen geeft hij den moed niet op en na afloop van een volgende zevenjarige periode stapt hij weer aan wal, en vindt daar het meisje van zijne droomen. Deze had ook zelf reeds het hooge, vrouwelijke verlangen gekoesterd, dien man te redden van zijn vloek.

Doch er is een medeminnaar, die ook naar haar dingt en op een gegeven oogenblik treft de Schipper zijne aanstaande in onderhoud met dezen vriend van vroeger aan. Hij denkt dan natuurlijk alwéér bekocht te zijn, zoodat hij vol teleurstelling, maar toch nog met zachte gevoelens jegens haar, naar het schip teruggaat en besluit om thans maar voor eeuwig te blijven rondzwerven. De geliefde echter loopt hem na en bezegelt haar trouw tot in den dood, door zich in zee te storten. Tegelijk is de vervloeking verbroken, zoodat ook meteen het schip vergaat.

Gemakkelijk onderkent men in deze legende het overheerschende element: een mensch, door een godslasterlijke handeling verdoemd om eeuwig rond te spankeren, die alleen door een grootsche daad van zelfopoffering van die vervloeking kan worden bevrijd.

Of algemeener nog, de mensch door de stormen op de zee des levens, door verlangens en hartstochten her en der geslingerd, snakt naar de kalmte en rust van de volbrachte reize.

Het beeld van de menschheid dus in haar geheel, die door den zondeval tot aardsche smarten werd gedoemd, en door het kruisingsoffer van Gods Zoon de mogelijkheid heeft erlangd, daarvan wederom te worden verlost.

De wereld-litteratuur is rijk aan dergelijke legenden, waarvan vooral die van den Wandelenden Jood groote bekendheid heeft verworven. Veel minder bekend, doch in dit verband nog sprekender, is het geval van Sint Brandanus, die toornde tegen Gods wil, en nu gestraft werd met negen jaar op zee rond te zwalken. Een nadere analyse daarvan ligt echter geheel buiten het kader van dit boek: ik wil alleen curiositeitshalve vermelden dat ook de Odysseus-sage wel in dien geest wordt verklaard, doch ook wel geheel anders. Zoo heeft een Fransch zee-officier o.a. in 1905 een boek gepubliceerd, waarin hij Odysseus' omzwervingen door de Middellandsche Zee als een Zeemansgids in dichterlijken vorm verklaart, en ook alle ontmoetingen toetst aan de nog thans bestaande navigatie-gevaren.

Een ander element is, dat de ontmoetingen met den Vliegenden Hollander steeds in de buurt van de Kaap plaats vinden. De ooggetuigen vertellen dan, dat zij den vagen schijn van een volgetuigd schip hebben zien voorbijtrekken, als in een mist, soms zelfs door het eigen schip heen, zoodat het materieloos moet zijn, enfin, geheel zooals wij ons spookgedaanten voorstellen (men denke aan Johnnie Walker annonces en spoken op de film). Een een ander meestal bij zwaren storm, wanneer men toch al eenigszins uit zijn gewone doen is en meer vatbaar voor bovennatuurlijke indrukken. En dat spookschip 2) vaart somwijlen, zelfs met groote snelheid, tegen den wind in!

Nu vindt men in oudere reisbeschrijvingen op die route meermalen van luchtspiegelingen gewag gemaakt, veelal met een min of meer plausible hypothese omtrent de oorzaken, en voorts van tegenovergestelde winden op betrekkelijk nabij gelegen gebieden, zoodat de veronderstelling voor de hand ligt, dat men in de vermelde gevallen ook met dergelijke luchtspiegelingen te doen gehad heeft, waardoor een ander schip, op te grooten afstand om normaal te worden waargenomen, zich als een schim aan de waarnemers vertoonde.

In een tijd, toen men nog niet behept was met onze nuchtere, critische denkwijze, en ondoorgronde verschijnselen gereedelijk aan bovennatuurlijke werking toeschreef, zouden die luchtspiegelingen dan door phantasierijke geesten in verband gebracht met den cyclus van den zwervenden godslasteraar bovengenoemd, aanleiding hebben gegeven tot de legende van den Vliegenden Hollander, die, eenmaal ontstaan, door de navertellers, als gebruikelijk, steeds meer werd uitgewerkt, en met romantische details verrijkt.

Daardoor wordt meteen bepaald, dat deze legende, in dezen vorm althans, niet eeuwenheugend kan zijn, doch op zijn vroegst in de 18e eeuw ontstaan is, aangezien pas in de 17e eeuw de Kaapvaart is opgekomen, en er nu eenmaal een zekere tijd voor noodig is, voordat de spookschip-visies gemeengoed bij het zoutwater-volk waren geworden en het verband met het andere legende-element zich kon krystalliseeren. Want, zooals gezegd, een der kenmerken van legenden en dergelijke is steeds, dat niet één bepaald persoon, maar een samenhangende kring van menschen het ontstaan en de ontwikkeling bewerkt. Hoogstens mag een of andere meer phantastische geest voor een bepaald complex van gedachten de pakkende uitdrukking vinden, die dan echter niet als zijn speciale vondst mag worden beschouwd, doch gemeengoed van de betrokken menschengroep blijft. In zooverre staat de legende dus tegenover de individueele scheppingen, zooals wij die uit romans en vooral uit lyrische gedichten kennen.

Onwillekeurig rijst de vraag, of wellicht ook een of ander historisch persoon en zijne lotgevallen een element kan zijn geweest, dat tot het vormen van de Vliegende Hollander-legende heeft bijgedragen. Opgemerkt mag worden dat het verhaal blijkbaar het eerst in het Engelsch te boek is gesteld, en dat het in het Engelsch en ook in het Duitsch meerdere malen in de litteratuur uitdrukking heeft gevonden, in het Hollandsche daarentegen nagenoeg niet. Men is daardoor op het idee gekomen, dat de Engelschen, uit afgunst, hun vroegeren erfvijand, the Dutchman, de godslasterende vermetelheid hebben toebedacht, die in het verhaal tot uiting komt.

Deze verklaring is echter weinig aannemelijk: het ligt veel meer voor de hand te denken aan den een of anderen brutalen zeiler onder de Hollandsche zeekapiteins uit de 17e eeuw, die wegens snelle en gedurfde tochten het hier bedoelde epitheton had verworven. Te meer, daar ons enkele namen van schippers uit die dagen zijn overgeleverd, die in dat opzicht notoir waren geworden.

De meest bekende daardoor is wel Barent Fockesz, de Friesche hardzeiler, die langen tijd in Indië als stuurman had gevaren, later voor kortere commissies in Europeesche wateren diende, en nog eens een keer naar Indië werd gezonden om brieven over te brengen, welke tocht hij in bijzonder korten tijd volbracht. Volgens sommigen zou hij in Indië zijn overleden en op het eilandje Kuiper zijn begraven, volgens anderen had men ter gedachtenis aan zijn snelle overvaart daar een standbeeld van hem in Friesche kleeding opgericht. Volgens beide lezingen werd het betrokken monument door de Engelschen in het begin der 19e eeuw vernield.

Het laat zich nu alleszins denken, dat het leven van deze en wellicht enkele andere personen, bij het navertellen uit de phantasie verrijkt, om het verhaal nog belangwekkender te maken, mede aanzienlijk heeft bijgedragen tot het ontstaan van de legende, met al de details, waarmee zij in de uitvoeriger werken, bijv. van Russell, wordt beschreven.

Maar hiermee wil ik volstrekt niet incideeren, dat Barent Fockesz zelve ooit ook maar godslasteringen heeft geuit, of daartoe in staat zou zijn geweest! Integendeel, dat bepaalde element is klaarblijkelijk voortgesproten uit dien anderen, eerstgenoemden cyclus, en mag dus een eventueel historisch prototype, een of anderen Hollandschen schipper, vermetel, doch allicht even vroom als de meeste zijner collega's, niet verweten worden.

Toch waren er wel ruwe kwanten bij in die dagen: zoo wordt er verhaald van een zeilkapitein, de "Duivel van Amsterdam" geheeten, die pas in de stemming kwam, als de stormwind bulderend kwam opzetten. Dan liep hij te stampvoeten op zijn halfdekje, hief de vuisten ten hemel en riep: "Heb Jij wind, ik heb zeilen". Als equipage kon hij alleen lieden krijgen, van hetzelfde hout gesneden, en het eindbesluit volgens het verhaal was, dat het schip onder volle zeilen met man en muis is vergaan.

Er zijn nog vele andere trekken in de Vliegende Hollander-legende, die besproken zouden kunnen worden en ook het geheel geeft ampel stof tot allerlei bespiegelingen, die echter geheel buiten de sfeer van dit artikel vallen. De bedoeling is alleen geweest, het verband aan te geven, dat mogelijkerwijze tusschen Indië en den held van deze legende kan worden gelegd, en wel de laatste rustplaats te zijn van den rusteloozen schipper, die op eervolle wijze zijn vaderland diende, en toch blijkbaar trekken heeft geleverd voor den somberen van der Decken uit de legende. Maar ook in zijn graf heeft hij niet rustig mogen blijven: zijn naam leeft te Batavia echter voort als een der fraaiste jachten, dat geheel ter plaatse gebouwd is.

Dr. D.A. Rinkes.
Hoofd-Ambtenaar voor de Volkslectuur e.a.a.

  1. Bij het opstellen van dit artikel is een ruim gebruik gemaakt van de gegevens, bijeengebracht door Dr. G. Kalff Jr. in: De Sage van den Vliegenden Hollander, Zutfen 1923.
    Onnoodig te verzekeren, dat het voorliggend artikel geen aanspraak maakt op eenige wetenschappelijkheid of volledigheid, dat alleen getracht is eenige mededeelingen te groepeeren, die binnen het kader van dit boek te brengen zijn.
  2. Een litterair gunstig bekende beschrijving van een dergl. ontmoeting is o.m. ook te vinden in een novelle van E.A. Poe, Manuscript found in a bottle, waarin hij vertelt van iemand, die van uit Batavia een reis naar het Oosten onderneemt, en na eenigen tegenspoed door zwaren storm onherstelbaar averij krijgt. Na vijf dagen met het wrak te zijn voortgestuwd, ontmoet hij een spookschip als hier bedoeld, en hoewel de auteur den Vliegenden Hollander niet noemt, heeft hem bij de beschrijving die verhalenkring blijkbaar wel voor oogen gestaan.
    Hoewel het punt van uitgang van deze reis waarschijnlijk geheel willekeurig gekozen is en in geen verband staat met de latere ontmoeting, vonden wij de beschrijving merkwaardig genoeg, haar deswegen hier te melden, en den lezer aan te raden deze vertelling in het origineel te lezen.

^ Top

 

De zee en het varen in de litteratuur

WORK IN PROGRESS...

Dr. D.A. Rinkes.
Hoofd-Ambtenaar voor de Volkslectuur e.a.a.

^ Top