In het theoretisch kader zal een beschrijving worden opgenomen van de literatuurstudie naar welke belemmeringen zich voordoen in het carrièrepad van vrouwen en of deelname aan een vrouwennetwerk die belemmeringen kan wegnemen (a).
Deze theorieën resulteren in een onderzoeksoptiek (b).
Met deze onderzoeksoptiek zal het onderzoeksobject geconfronteerd worden.
De onderzoeksdata die uit deze confrontatie naar voren komen, worden geanalyseerd en gerapporteerd (c).
Op deze manier wordt inzicht gegeven in de relatie tussen deelname aan een vrouwennetwerk en het carrièreverloop van vrouwen (d).
^ Top
1. DE HISTORISCHE CONTEXT
In de literatuur rond het carrièreverloop van vrouwen wordt door verschillende auteurs aandacht besteed aan de historische context.
Zo worden vrouwen volgens Brouwer (2003) gedurende het nastreven van een carrière geconfronteerd met belemmeringen die verband houden met de ontwikkelingen die de Nederlandse samenleving heeft doorgemaakt.
Gedurende de afgelopen twee eeuwen is er binnen onze samenleving een rolverdeling ontstaan tussen vrouwen en mannen, waarin de vrouw de gezinsrol toebedeeld heeft gekregen en de man de arbeidsrol.
De verantwoordelijkheden van de vrouw bevinden zich daardoor in het private domein en die van de man in het publieke domein.
De historisch gegroeide rol die de vrouw vanuit een eeuwenlange traditie toegewezen heeft gekregen, speelt een belangrijke rol in het verklaren van de achterstandspositie van vrouwen op de arbeidsmarkt.
De huidige balans tussen werk en privé (het publieke en het private leven) is na het intreden van de vrouw op de arbeidsmarkt niet veel veranderd.
De reden hiervoor is volgens Brouwer (2003:29) eenvoudig: “De emancipatie van vrouwen is in Nederland grotendeels gepaard gegaan met de instandhouding van de oude rollen in het privé-leven”.
Volgens Brouwer is deze denkwijze niet vreemd tegen de achtergrond van de geschiedenis van de afgelopen twee eeuwen.
Een beschrijving van de relevante ontwikkelingen gedurende de afgelopen twee eeuwen dient als context om de historisch gegroeide rolpatronen te kunnen begrijpen.
^ Top
DE NEGENTIENDE EEUW
In de negentiende eeuw had het begrip moederschap een andere betekenis dan vandaag de dag.
Tegenwoordig impliceert het begrip moederschap het voeden en verzorgen van de (eigen) kinderen vanaf de geboorte tot aan volwassenheid.
In de negentiende eeuw werd het begrip moederschap echter in een veel striktere zin gehanteerd en betekende het niet meer dan het moeder zijn.
In de negentiende eeuw was het, zo schrijft Brouwer (2003), gebruikelijk dat baby’s en kinderen niet door moeders zelf werden opgevoed.
De baby’s werden gevoed en verzorgd door minnen.
Dit waren volgens Van Dale (2002) vrouwen die een kind van een andere vrouw zoogden.
Deze vrouwen werden ook wel voedsters genoemd (er bestond toen nog geen kunstmatig alternatief voor moedermelk).
Het zogen en verzorgen van een kind van een andere vrouw geschiedde gewoonlijk tegen betaling.
Doordat moeders niet zelf hun kinderen hoefden te zogen en verzorgen, konden zij buitenshuis geld verdienen.
Maar de hoge sterfte onder kinderen (met name onder zuigelingen) bracht daar verandering in.
Om de kindersterfte terug te dringen propageerde de overheid dat het gezonder en hygiënischer was het kind de eigen moederborst te geven.
Maar daardoor konden deze vrouwen niet of nauwelijks meer buitenshuis werken en raakten zij hun inkomsten kwijt.
Ook de minnen verloren hiermee hun bron van inkomsten.
De overheid trachtte niet alleen door middel van propaganda vrouwen over te halen hun eigen kinderen te zogen, maar ook door vrouwen te belonen, als een soort compensatie voor de inkomstenderving.
Zo haalt Brouwer een decreet van Lodewijk Napoleon uit 1809 aan, waarin aan Zeeuwse boerinnen twee gouden oorijzers werden beloofd als zij hun kind zelf zoogden.
De overheid bereikte hiermee dat de kindersterfte omlaag ging.
Maar voor vrouwen had dit tot gevolg dat zij vanaf de geboorte van hun eerste kind nauwelijks meer de mogelijkheid tot arbeid hadden.
Dit nieuwe beleid maakte vrouwen daardoor financieel afhankelijk van hun echtgenoot.
Vrouwen werkten steeds minder buiten de deur.
Ze bleven thuis voor het voeden en de verzorging van de kinderen.
De overheid ging nog een stapje verder in het bevorderen van het (nieuwe) moederschap.
Aan het eind van de negentiende eeuw, vanaf de industriële revolutie, richtte het Nederlandse overheidsbeleid zich volgens Brouwer (2003) op de ‘bescherming’ van vrouwen.
Er werden maatregelen ingevoerd die een belemmerende uitwerking hadden op vrouwen die buitenshuis betaalde arbeid wilden verrichten.
De redenen voor deze maatregelen waren de slechte arbeidsomstandigheden in fabrieken en werkplaatsen, de gezondheidstoestand van de arbeider die in het algemeen te wensen overliet en in het bijzonder de eerder genoemde kindersterfte.
De overheid dacht dat door vrouwen te beletten de arbeidsmarkt te betreden, zij zich thuis volledig zouden richten op de zorg voor man en kinderen.
Dankzij dit beleid zou de gezondheidstoestand van de arbeider verbeteren en de zuigelingen- en kindersterfte afnemen.
Deze bescherming gold echter voor alle vrouwen, ongeacht of zij moeder waren.
Naast de zorg voor kinderen was de vrouw ook verantwoordelijk voor de zorg van haar man.
Doordat zij ook deze zorg op zich nam, kon de gezondheidstoestand van de man verbeteren, waardoor hij voor de burgerij als een goede arbeider kon werken.
Het ontbreken van een geregeld gezinspatroon baarde de burgerij volgens Brouwer (2003) namelijk zorgen.
Gezonde en sterke arbeiders waren noodzakelijk voor de industrialisatie.
De kerken speelden in die periode en belangrijke rol in de samenleving en zowel de katholieke als de protestantse kerk steunden volgens Leydesdorff en Reijs (in De kunst van het moederschap, 1982) het overheidsbeleid.
Zij predikten dat het gezin het meest wezenlijke element was in de maatschappij en dat moest het volgens hen ook blijven.
Van der Woude (Ibidem:40) vatte de plichten van vrouwen en meisjes als volgt samen:
|
Hare medemenschen behagen.
Hun voedsel aangenaam toe te bereiden.
Hen goed te kleeden.
Orde en reinheid te doen heerschen.
Hen te onderrichten.
|
Doordat én de kerk én de overheid van mening waren dat vrouwen niet konden werken, omdat zij zorg moesten dragen voor het gezin, werd het vrouwen nagenoeg onmogelijk gemaakt om buitenshuis te arbeiden.
Toch waren er binnen de samenleving vrouwen die om economische redenen moesten werken.
Maar ook voor deze vrouwen was dat door de belemmerende maatregelen bijna onmogelijk.
Brouwer (2003) beschrijft dat van hieruit het zogenoemde ´kostwinnerssysteem´ is ontstaan.
In dit systeem werd uitgegaan van een vaste rolverdeling binnen het gezin.
De man was als kostwinner verantwoordelijk voor de inkomsten en de vrouw was belast met de zorg voor het huishouden en de opvoeding van de kinderen.
De vrouw trok zich terug van de arbeidsmarkt zodra zij trouwde of uiterlijk zodra zij zwanger was van haar eerste kind.
Vrouwen verrichtten dan geen betaalde arbeid meer maar de man verdiende een dusdanig loon waarvan hij zijn gezin moest kunnen onderhouden.
Vrouwen waren daardoor voor hun levensonderhoud geheel afhankelijk van de kostwinner/echtgenoot.
Vrouwen moesten onder druk van de overheid en de kerk in deze situatie berusten.
^ Top
DE TWINTIGSTE EEUW
Vrouwen moesten er volgens Abraham Kuyper (in De kunst van het moederschap, 1982:50) in berusten dat zij vanwege hun moederschapsrol niet konden werken.
Zo schreef hij in 1914 in zijn boek De Erepositie der Vrouw het volgende:
|
Er is een tweeërlei leven. Een leven in het gezin, in de familie, met de kinderen, dat een meer particulier, en bijna geheel daarbuiten een geheel ander leven in Raden en State, op de vloot en in het leger, dat een meer publiek karakter draagt.
Deze tweeërlei soorten van leven vragen om zeer onderscheiden gaven en talenten, en nu is het de les der historie en ‘t empirisch gegeven van ‘t heden, dat die tweeërlei gaven en talenten saam blijken te vallen met het soort verschil tusschen man en vrouw.
Het private en publieke leven vormen twee afgescheiden sferen, elk met een eigen wijze van bestaan, met een eigen taak, en voor die taak om een eigen soort hoedanigheden en talenten roepend.
Dit is de harmonie van levenssfeer en menschenaard.
En het is op grond van deze stand van zaken, die niet wij uitgedacht, maar God ons heeft opgelegd, dat de vrouw in het publieke leven niet met de man gelijk staat.
|
Maar Abraham Kuyper was niet de enige die er een conservatieve houding op na hield.
In 1937 pleitte de katholieke politicus Romme voor een ‘beperking van den arbeid der gehuwde vrouw’ met de uitspraak (in Brouwer 2003:33): “De overheid moet zich openlijk scharen aan de zijde van hen, die menen dat de gehuwde vrouw door het enkele feit dat ze gehuwde vrouw is, haar levenstaak heeft in haar gezin, en dat het gezin zo veel mogelijk beschermd dient te worden”.
Ondanks de invloed van onder andere Kuyper ontstonden er progressieve protestantse groeperingen die voor vrouwen een rol buiten het gezin creëerden.
Vrouwen mochten liefdadigheidswerk doen zoals ziekenverpleging, gevangenenbezoek en ondersteuning van de armen.
Brouwer (2003:49) schrijft: “Dit liefdadigheidswerk had grote invloed op het bewustzijn van deze vrouwen.
Zij maakten kennis met de wereld buiten de beperkte kring van het gezin.
Zo kwam ook het perspectief van arbeid buitenshuis in zicht”.
Men bleef echter bang dat deze ontwikkeling schadelijk zouden zijn voor het moederschap en de gezinsverzorging.
De activiteiten die vrouwen buitenshuis mochten ondernemen, moesten er dan ook toe leiden dat zij betere moeders werden.
In dat kader werden er ook mondjesmaat opleidingen voor vrouwen getolereerd.
Daarnaast werd het besef sterker, dat een werkende vrouw een financiële zorg minder was.
De conservatieve houding werd in stand gehouden en dat kwam mogelijk voort uit het ontbreken van een noodzaak tot veranderen.
In de ons omringende landen, zoals Engeland, was die noodzaak er wel.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog moesten Engelse vrouwen wel deelnemen aan de arbeidsmarkt om zo de oorlogseconomie draaiende te houden.
Nederland bleef tijdens de Eerste Wereldoorlog neutraal.
Er was voor de Nederlandse samenleving geen directe dreiging van een revolutie, waardoor de noodzaak tot veranderen zeer gering was.
Al tijdens de Eerste Wereldoorlog werden er in Engeland, weliswaar noodgedwongen, crèches opgericht.
Onder de oorlogsdruk werd er in Engeland al in 1915 een wet aangenomen dat vrouwen voor mannenwerk onder gelijke voorwaarden moesten worden aangenomen en betaald (Monster 1998).
In Nederland werd in 1919 de arbeidswet aangenomen, maar deze wet maakte de achterstandspositie van de vrouw alleen maar groter.
Deze wet maakte namelijk onderscheid tussen vrouwen en mannen.
Volgens De Pooter (1987) hield dit onderscheid in dat er voor vrouwen nog steeds beschermende bepalingen golden, zoals het verbod op nachtarbeid en zondagsarbeid voor vrouwen.
Deze beschermende bepalingen, die we kennen uit de negentiende eeuw, sloten vrouwen wederom uit van arbeid.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kon Nederland de neutrale positie niet handhaven.
Ook in Nederland ontstond een situatie waarin vrouwen moesten werken om de oorlogseconomie draaiende te houden.
Toch heeft deze oorlogsdruk in Nederland voor wat betreft de positie van de vrouw niet de uitwerking gehad die de Eerste Wereldoorlog wel op Engeland had.
In Nederland bleef de overheid ook na de Tweede Wereldoorlog de nadruk leggen op de taak van de vrouw in het gezin en de natuurlijke band tussen moeder en kind.
Men vond zelfs dat die band werd verwaarloosd als de moeder werkte, daar zou het kind als volwassene de wrange vruchten van plukken.
Ruim vijfentwintig jaar na de Tweede Wereldoorlog werd er in 1976 een nieuw overheidsbeleid aangenomen.
Het nieuwe beleid had als peiler het bevorderen van de economische zelfstandigheid van de vrouw.
Dit hield in dat het kostwinnerssysteem, waarin de vrouw financieel volledig afhankelijk was van de man, werd afgeschaft.
Vrouwen hoefden niet langer afhankelijk te zijn van het inkomen van de man, en het wegvallen van de man hoefde geen reden te zijn om de hand op te houden bij de regering.
Zoals door Monster (1998:17) werd beschreven: “Vrouwen dienen ongeacht de vraag of zij kinderen krijgen of kinderen hebben, in beginsel in hun eigen onderhoud te kunnen voorzien door middel van deelname aan betaalde arbeid”.
Het nieuwe overheidsbeleid was een uitgebreide herziening op de Arbeidswet uit 1919.
Deze wet heette: ‘Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen’ (W.G.B. m/v).
In deze wet werd onder meer gesteld dat met betrekking tot arbeid geen onderscheid gemaakt mocht worden tussen vrouwen en mannen.
Deze wet ging echter voorbij aan het feit dat vrouwen al die jaren in een achterstandspositie waren geplaatst.
De grootste kritiek was dan ook de sekseneutraalheid van de wetsbepaling.
De wetsbepaling was namelijk niet gericht op het opheffen van discriminatie van vrouwen, maar op een gelijke behandeling van vrouwen en mannen.
Op deze wijze werd de achterstandspositie van vrouwen in stand gehouden.
Enkele jaren na de totstandkoming van de W.G.B. m/v ontstond er in eind 1979 het ‘Internationaal Verdrag’ tot uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (het Vrouwenverdrag).
In het Vrouwenverdrag werd een stap verder gegaan dan in de W.G.B. m/v.
Zo werd het verdrag in artikel één bijvoorbeeld niet gericht op discriminatie naar sekse, maar specifiek op vrouwendiscriminatie.
In het Vrouwenverdrag werd daarmee de achterstandspositie van vrouwen erkend.
In het verdrag werden economische, sociale en culturele rechten opgenomen.
Onder economische rechten valt onder andere de discriminatie van vrouwen ten aanzien van arbeid.
Het verdrag richtte zich ook op de sociale en culturele achterstandspositie van vrouwen door het bestrijden van de dominante genderideologie (het doorbreken van traditionele rolpatronen).
In het Vrouwenverdrag werd geen genoegen genomen met gelijke behandeling of gelijke rechten, zoals in de W.G.B. m/v was opgenomen, waarin de mannelijke norm als maatstaf gold.
Het Vrouwenverdrag was gericht op het opheffen van de achterstandspositie van vrouwen.
Het voeren van een voorkeursbeleid ten opzichte van vrouwen was een gewenste maatregel om de achterstandspositie van vrouwen op te heffen.
Wel moest het beleid zodra het doel was bereikt worden ingetrokken.
De maatregelen om de achterstandspositie terug te dringen en op te heffen kwamen met name naar voren in de personeelsadvertenties van de overheid.
De overheid heeft hierin een voortrekkersrol genomen.
De personeelsadvertenties vertoonden de teksten: “Bij gelijke geschiktheid gaat de voorkeur uit naar een vrouw” en “Wij hanteren een voorkeursbeleid voor vrouwen, migranten en gehandicapten”.
Ondanks dit voorkeursbeleid is er nog steeds sprake van segregatie tussen vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt.
Deze segregatie van arbeid is onder te verdelen in horizontale (concentratie van vrouwen en mannen in verschillende sectoren en beroepen) en verticale (de geringe aanwezigheid van vrouwen in de hogere functieniveaus) segregatie.
De overheid wilde met behulp van het voorkeursbeleid het toestromen van vrouwen naar de arbeidsmarkt vergroten en de horizontale beroepssegregatie doorbreken.
Het terug dringen van de verticale arbeidssegregatie behoorde niet tot de doelstellingen.
Men nam aan dat dankzij het toestromen van vrouwen op de arbeidsmarkt en het doorbreken van de zogenoemde vrouwenberoepen, van waaruit doorstromen naar hogere posities vrijwel onmogelijk was, de afname van de verticale arbeidssegregatie als vanzelfsprekend zou volgen.
Echter, het doorstomen van vrouwen naar hogere functies is niet als vanzelfsprekend gevolgd.
De historische context heeft inzicht verschaft in de ontwikkelingen van de afgelopen twee eeuwen, waarin de traditionele rolpatronen tussen mannen en vrouwen zich hebben gemanifesteerd.
Door de verantwoordelijkheden van de vrouw binnen het publieke domein is het voor vrouwen bijna niet mogelijk om zich volledig te richten op hun carrière, waardoor hogere posities nauwelijks bereikbaar zijn.
Om ondanks de verantwoordelijkheden voor het gezin en huishouden toch deel te kunnen nemen aan betaalde arbeid, zijn vrouwen veelal aangewezen op flexibele deeltijdbanen in de typisch vrouwenberoepen.
Tegenwoordig worden vrouwen nog steeds geconfronteerd met belemmeringen, waardoor het doorstromen naar hogere posities nauwelijks mogelijk is.
In het volgende hoofdstuk wordt gekeken wat er in de literatuur wordt zegt over de huidige belemmeringen die zich voordoen op het carrièrepad van vrouwen.
^ Top
2. LITERATUURBESCHRIJVING
Over de relatie tussen de deelname aan een vrouwennetwerk en het carrièreverloop van vrouwen is relatief weinig bekend.
Om inzicht te krijgen in welke belemmeringen zich voordoen in het carrièrepad van vrouwen en welke belemmeringen door deelname aan een vrouwennetwerk weggenomen kunnen worden, is in de literatuur gekeken naar wat er over is geschreven.
Een beschrijving van de literatuurstudie naar de belemmeringen is in de eerste paragraaf opgenomen en in de tweede paragraaf is een beschrijving van de deelname aan vrouwennetwerken opgenomen.
^ Top
2.1 HET CARRIÈREPAD
Het eerste deel van de centrale vraag heeft betrekking op welke belemmeringen zich voordoen in het carrièrepad van vrouwen.
Naar deze belemmeringen is een literatuurstudie naar gedaan, waaruit is gebleken dat de belemmeringen kunnen worden onderscheiden naar belemmeringen aan aanbod- en aan vraagzijde.
Deze verdeling is gebaseerd op het onderscheid zoals Brouns en Schokker (1990) dat in hun onderzoek hanteren.
^ Top
DE AANBODZIJDE
Met de aanbodzijde worden vrouwen bedoeld voor wie de carrièrekansen afhankelijk zijn van het huishouden, gezin, echtgenoot en arbeidsmarktgedrag.
De belemmeringen die zich aan de aanbodzijde voordoen zijn: de traditionele rolverdeling, scholing, dubbele belasting, rolconflict, deeltijd, levensloopbaan en het in-uitpatroon.
Traditionele rolverdeling
Binnen onze huidige samenleving is het een traditie dat mannen andere maatschappelijke rollen vervullen dan vrouwen.
De maatschappelijke rollen zijn verdeeld naar sekse.
Deze rollen zijn niet van nature eigen aan de mens, maar worden tijdens de opvoeding onvermijdelijk aangeleerd.
De maatschappelijke rol van de vrouw is de gezinsrol en bestaat uit de verantwoordelijkheid voor huishouden en gezin.
Volgens Brouns en Schokker (1990:60) vereist deze gezinsrol van de vrouw dat zij permanent beschikbaar is voor het huishouden.
De man wordt geacht voldoende geld te verdienen om het hele gezin financieel te onderhouden.
Volgens Sanders en Beekes (1993) gaat het bij het tot stand komen en handhaven van de traditionele rolverdeling vooral om de interpretatie van biologische verschillen.
Deze interpretatie is lastig omdat biologische verschillen vaak moeilijk te onderscheiden zijn van sociaal-cultureel bepaalde verschillen.
Onterecht worden biologische gegevens als baren en zogen doorgetrokken in de sociaal-cultureel geconstrueerde gezinsrol.
Dat dit onterecht is kan volgens Sanders en Beekes bevestigd worden door het feit dat mannen ook de primaire ouder kunnen zijn, als zij in die situatie terechtkomen.
De arbeidsmarktpositie van vrouwen en mannen hoeft niet per se een gevolg te zijn van de biologische verschillen tussen vrouwen en mannen, toch zijn het de vrouwen die een achterstandspositie hebben en niet de mannen.
Vrouwen kunnen uiteraard wel buitenshuis werken en een carrière nastreven.
Het zijn dus niet de biologische verschillen die vrouwen belemmeren om door te stromen.
Deze belemmering hangt vooral samen met de sociaal-culturele verschillen tussen vrouwen en mannen.
Zo leren mannen, volgens Sanders en Beekes, zich te associëren met de wereld buitenshuis.
Vrouwen leren zich ook wel te associëren met de wereld buitenshuis, maar zij leren zich vooral te identificeren met de wereld binnenshuis.
Sanders en Beekes noemen dit het socialisatieproces.
Daarnaast onderscheiden zij de actuele context als een belemmerende factor.
Hieronder worden de mogelijkheden van vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt verstaan, hoe hun betaling is en hoe de verlof- en opvangregelingen zijn.
Steeds meer vrouwen verrichten betaalde arbeid buitenshuis, waarvoor goede kinderopvangvoorzieningen een voorwaarde zijn.
Volgens Brouns en Schokker (1990) vindt een groot deel van de Nederlandse bevolking het bezwaarlijk als kinderen naar de crèche worden gebracht in verband met het werk van de ouders en vooral van de moeders.
Ook uit de Emancipatiemonitor (2002:114) blijkt dat moeders van kleine kinderen op weinig instemming hoeven te rekenen wanneer zij buitenshuis arbeid verrichten.
Sanders en Beekes hebben in totaal drie aspecten beschreven.
Ten eerste noemden zij de biologische verschillen, ten tweede de sociaal-culturele context en ten derde de actuele context.
Brouns (1993 in Benschop 1996:2) onderscheidt drie vergelijkbare dimensies.
Zo betreft volgens Brouns de eerste dimensie uitspraken over verschil en gelijkheid op een filosofisch-ontologisch niveau, dat betrekking heeft op het wezen van de vrouw en het wezen van de man.
De tweede dimensie is volgens Brouns te plaatsen op historisch-sociologisch niveau, dat betrekking heeft op de verdeling van maatschappelijke posities.
En de derde dimensie betreft het politiek-strategisch niveau, waar het gaat om verschil in behandeling.
Ook Komter (1990 in Benschop 1996:3) beantwoordt de vraag of verschillen primair genetisch bepaald (nature) zijn, of dat ze veel meer het gevolg zijn van opvoeding en socialisatie (nurture).
Samengevat komt het hier op neer: Sanders en Beekes, Brouns en Komter geven allen aan dat het biologische gegeven dat vrouwen kunnen baren en zogen ten onrechte wordt doorgetrokken in de toewijzing van de gezinsrol aan vrouwen.
En dat heeft de nodige consequenties voor de verdeling van verantwoordelijkheden binnenshuis en buitenshuis.
Scholing
Vrouwen komen volgens Brouns en Schokker (1990:33) vooral terecht in vrouwenberoepen: “Bijna vijftig procent van de vrouwen werkt in de gezondheids- en welzijnszorg of in de handel.
Van de mannen werkt bijna vijftig procent in de industrie, de handel of de zakelijke dienstverlening”.
Uit de Emancipatiemonitor (2002:81) blijkt dat deze cijfers twaalf jaar later nog steeds van toepassing zijn.
Het feit dat er vrouwen- en mannenbanen zijn, vormt volgens Sanders en Beekes (1993) één van de belangrijkste en meest hardnekkige mechanismen in het voortbestaan van de ongelijkheid tussen seksen op de arbeidsmarkt.
Gedeeltelijk wordt dit verschijnsel in stand gehouden door vrouwen en mannen zelf, door de keuzes voor beroepsopleiding en de voorkeuren voor beroepen.
Brouns en Schokker geven aan dat er in het onderwijs nog duidelijk sprake is van seksesegregatie.
Deze seksesegregatie komt vooral tot uiting in de vakkenpakketkeuze van meisjes en jongens en in de keuze voor een beroepsopleiding.
Uit de Emancipatiemonitor (Ibidem:39) blijkt dat in het beroepsonderwijs de sector techniek voor het overgrote deel mannelijke leerlingen telt en de sector zorg en welzijn wordt daarentegen voor het merendeel door vrouwen bezocht.
Volgens Deminint en Disselen (1992) is de seksesegregatie op de arbeidsmarkt te herleiden naar de seksesegregatie in het onderwijs.
Dubbele belasting
Het aantal vrouwen op de arbeidsmarkt ligt nog altijd lager dan het aantal mannen.
Uit de Emancipatiemonitor (2002:72) blijkt dat van alle vrouwen tussen 15-64 jaar, 53% een baan heeft van twaalf uur of meer per week. Van de mannen in deze leeftijdscategorie heeft 77% een baan van twaalf uur of meer per week.
In 1990, zo blijkt uit de Emancipatiemonitor (Ibidem), werkte 39% van de vrouwen en in 2001 blijkt dit percentage te zijn gestegen naar 53%.
Ondanks hun stijgende deelname aan betaalde arbeid blijven vrouwen grotendeels verantwoordelijk voor de onbetaalde werkzaamheden binnenshuis.
De consequentie hiervan is dat vrouwen die buitenshuis werken, zwaarder belast worden dan hun partners.
Ook Duindam en Van der Lippe (1991 en 1992, in Sanders en Beekes 1993:88) geven aan dat vrouwen het grootste deel van de onbetaalde arbeid op zich nemen en dat mannen zich vooral richten op betaalde arbeid.
Volgens hen neemt de bijdrage van mannen aan onbetaalde arbeid slechts zeer geleidelijk toe, terwijl de deelname van vrouwen aan betaalde arbeid explosief groeit.
Hoogeveen en Smit (1991 in Sanders en Beekes, 1993:90) omschrijven het als volgt:
|
Kostwinnerschap en carrière blijven voor de meeste mannen volkomen vanzelfsprekend.
Het idee om parttime te gaan werken komt vrijwel niet in hen op.
Jongens hebben een enkelvoudige oriëntatie: werk buiten de deur.
Meisjes ontwikkelen een dubbele oriëntatie: naast een betaalde baan blijven zij zich ook richten op de zorgarbeid binnenshuis, met name op het ouderschap.
Meisjes gaan er in hun toekomstverwachting van uit dat zij degenen zijn die moeten stoppen met werken of dat zij parttime moeten gaan werken als er een kind komt.
|
Vrouwen die buitenshuis betaalde arbeid verrichten dragen nog steeds de meeste verantwoordelijkheden die de gezinsrol met zich meebrengt.
Vrouwen besteden volgens de Emancipatiemonitor (2002:78) gemiddeld 35,5 uur per week aan onbetaalde arbeid en mannen gemiddeld twintig uur.
Vrouwen verrichten naast betaalde arbeid buitenshuis het merendeel van de onbetaalde arbeid binnenshuis en worden daardoor dubbel belast.
Rolconflict
Het nastreven van een carrière in combinatie met de gezinsrol brengt vrouwen in conflict.
Volgens Brouwer (2003:19) is de traditionele weg voor vrouwen naar de top een keuze tussen een conflict met de buitenwereld of een conflict met zichzelf.
Deze vrouwen voldoen aan de verwachtingen die de gezinsrol met zich meebrengt, waardoor het bijna onmogelijk is om buitenshuis betaalde arbeid te verrichten of ze verrichten betaalde arbeid buitenshuis en kunnen niet voldoen aan de verwachtingen ten aanzien van hun gezin.
Dat resulteert bij carrièrevrouwen volgens Brouwer (Ibidem) vaak in een patroon van ‘een beetje carrière en een beetje gezin’. Dat betekent vier dagen werken in een functie net onder de top en één of twee kinderen.
Ook ’t Veld-Langeveld (1969 in Brouns en Schokker, 1990:60) signaleert een vergelijkbare uitkomst: “de mate van participatie van vrouwen in het arbeidsbestel als een resultaat van het rolconflict”.
De traditionele oplossingen voor het rolconflict zijn volgens Brouns en Schokker (1990:60):
|
Vrouwen onttrekken zich aan één van beide rollen (veelal afwijzing van de beroepsrol ten behoeve van de gezinsrol), dan wel een onvolledige verwezenlijking van een van beide rollen.
Een onvolledige verwezenlijking van de beroepsrol kan op verschillende wijzen gestalte krijgen.
Vrouwen kunnen beroepsrollen vervullen, waarin kenmerken van de gezinsrol zijn opgenomen.
Ook ontstaan onvolledige beroepsrollen door een preferente toewijzing van magere beroepsrollen aan vrouwen, gekenmerkt door een relatieve armoede aan inhoud en structurele kenmerken.
|
Volgens Brouns en Schokker worden sekseverschillen steeds opnieuw gereproduceerd doordat vrouwen en mannen ieder hun eigen rol hebben, de vrouwelijke dan wel de mannelijke.
Het verrichten van betaalde arbeid zou de vrouw in conflict brengen, omdat zij dan niet kan voldoen aan de verwachtingen ten aanzien van het gezin.
Vrouwen stellen daardoor arbeid op de tweede plaats en zij moeten dan genoegen nemen met een lagere functie en weinig carrièreperspectief.
Deeltijd
Volgens Deminint en Disselen is de flexibilisering van de arbeidsmarkt in de jaren tachtig van grote invloed geweest op de ondervertegenwoordiging van vrouwen in hogere posities.
Tijdens economisch onzekere perioden boden arbeidsorganisaties vooral flexibele banen aan, wat laagbetaalde banen op contractbasis zonder arbeidszekerheid en zonder carrièreperspectieven inhield.
En inmiddels is volgens Bruyn-Hundt (1988 in Deminint en Disselen, 1992) een derde van de beroepsbevolking sterk afhankelijk van deze flexibele vorm van arbeid.
Uiteraard zijn vrouwen in deze groep sterk oververtegenwoordigd zo blijkt uit de Emancipatiemonitor (2002:121).
De cijfers tonen aan dat er voornamelijk vrouwen in deeltijdbanen werkzaam zijn: 70% van de vrouwen blijkt een baan van minder dan vijfendertig uur per week te hebben.
Bij de werkende mannen geldt dit voor 17%.
Volgens Deminint en Disselen wordt het opbouwen van een loopbaan belemmerd door flexibele arbeidscontracten maar ook het deeltijdwerken vormt een sterke belemmering in het opbouwen van een loopbaan.
Volgens Deminint (1989 in Deminint en Disselen, 1992) toont elk onderzoek naar deeltijdarbeid aan dat deeltijdwerken zo goed als altijd het einde van de loopbaan betekent.
Deze ontwikkelingen hebben er toe bijgedragen dat de vrouwelijke beroepsbevolking enorm heeft kunnen stijgen, maar dat er maar weinig vrouwen zijn doorgestroomd naar topposities.
Levensloopbaan en in-uitpatroon
Volgens Sanders en Beekes (1993:74) zit er een groot verschil zit tussen de stereotype mannelijke levensloopbaan en de stereotype vrouwelijke levensloopbaan.
De stereotype mannelijke levensloopbaan vindt zonder onderbreking plaats van het 16-24e jaar tot het 55-64e jaar in een voltijdbaan.
De stereotype levensloopbaan van vrouwen vindt zonder onderbreking plaats in een voltijdbaan van het 16-24e jaar tot het 25-34e jaar, als zij huwt of haar eerste kind verwacht.
Na een periode waarin thuis huishoudelijke arbeid wordt verricht, vindt soms herintreding op de arbeidsmarkt plaats, meestal in een deeltijdbaan.
Ook daarna kunnen perioden op de arbeidsmarkt worden afgewisseld met perioden thuis in verband met de verzorging van het gezin.
Volgens Sanders en Beekes wordt dit het in-uitpatroon van vrouwen op de arbeidsmarkt genoemd.
De hogere functies blijven onbereikbaar voor vrouwen die hun carrière onderbreken om aan de verantwoordelijkheden van de gezinsrol te voldoen.
Er zijn een aantal belemmeringen besproken waarmee vrouwen worden geconfronteerd gedurende het nastreven van een carrière.
Volgens Sanders en Beekes (1993:114) kunnen we het als volgt samenvatten:
|
(...) de verschillen tussen vrouwen en mannen zijn — soms nog expliciet, maar meestal impliciet — opgenomen in onze gewoonten, normen, afspraken en wetten.
De sociale structuur vormt daarmee een neerslag, maar ook bestendiging van die rolverdeling.
Dit cultureel klimaat leidt tot verschillen in opvoeding van meisjes en jongens waarin zij verschillende eigenschappen, capaciteiten en ambities ontwikkelen.
De effecten hiervan kunnen deels terug worden gevonden in de hoogte van de opleiding en het type opleiding die vrouwen en mannen volgen.
De verschillen in hoogte van de opleiding en het type opleiding leiden tot verschillen in arbeidsmarktkansen die nog weer worden versterkt doordat vrouwen in een relatief klein aantal studie- en beroepsrichtingen zijn geconcentreerd.
Uiteindelijk resulteert dit in een veel kleiner percentage vrouwen onder de hoogleraren, ministers, burgemeesters, managers, directeuren enzovoort.
|
Deze belemmeringen aan de aanbodzijde verklaren deels waarom vrouwen nauwelijks doorstromen naar hogere posities.
Uit de literatuurstudie zijn ook belemmeringen naar voren gekomen die zich aan de vraagzijde voordoen.
Deze belemmeringen zijn beschreven in het volgende deel.
^ Top
DE VRAAGZIJDE
Met de vraagzijde worden de arbeidsorganisaties bedoeld.
De belemmeringen die zich binnen deze arbeidsorganisaties voordoen spelen een belangrijke rol in het doorstromen van vrouwen naar hogere posities.
De onderwerpen die aan bod komen zijn: beeldvorming, dead end jobs en het senioriteitsprincipe.
Beeldvorming
Volgens Sanders en Beekes (1993:149) is seksestereotypering een mechanisme dat invloed heeft op de arbeidspositie van vrouwen.
Ook volgens Deminint en Disselen (1992:17) heeft seksestereotypering invloed op de arbeidspositie van vrouwen.
Hoffman en Hurst (1990 in Deminint en Disselen, 1992:44) omschrijven seksestereotypering als volgt:
|
Algemeen aanvaarde opvattingen over persoonlijke eigenschappen, beroepen, rollen en uiterlijke kenmerken die meestal geassocieerd worden met mannen of vrouwen.
Stereotypen beschrijven de kenmerkende eigenschappen van vrouwen en mannen, maar bevatten ook de evaluatie van die kenmerken vanuit de waarden die in de cultuur algemeen aangehangen worden.
|
Het merendeel van de mensen is er toe geneigd hun stereotypen te handhaven.
Met de redenering ‘de uitzondering bevestigt de regel’ worden a-typische voorbeelden genegeerd of als afwijkend beschouwd.
Het stereotype beeld blijft daardoor onveranderd bestaan. Vrouwen in topposities illustreren dit.
Zij worden nog steeds gezien als zeldzame uitzonderingen die weinig gemeenschappelijk hebben met de rest van hun sekse.
Het oordeel is dan vaak: ‘het is geen echte vrouw’.
Volgens Canter en Meyerowitz (1984 in Deminint en Disselen, 1992) hebben stereotypen ook een sterk normatieve component.
Volgens hen wordt gedrag dat overeenkomt met het stereotype beeld normaal gevonden: men vindt dat het zo hoort.
We vinden dat mensen zich volgens de verwachting dienen te gedragen en keuren gedrag dat daar buiten valt over het algemeen af.
Volgens Canter en Meyerowitz geldt dit voor seksestereotypen in sterke mate: gedrag dat niet binnen het sekse stereotype valt, wordt afgekeurd.
Als een vrouw een stereotype mannelijke taak met succes volbrengt, zal volgens Hansen en O'Leary (1985 in Deminint en Disselen, 1992) vaak gedacht worden dat dit komt omdat ze geluk heeft gehad, of omdat ze zich extra hard heeft ingespannen, of omdat de taak eenvoudig was.
In het algemeen bestaat de neiging goede prestaties van vrouwen minder aan intrinsieke kwaliteiten dan aan variabele factoren, zoals inspanning, toe te schrijven.
Deminint en Disselen onderscheiden naast seksestereotypering ook de macht van de vanzelfsprekendheid.
Komter (1985 in Deminint en Disselen, 1992) heeft het begrip macht van de vanzelfsprekendheid geïntroduceerd en het omvat een complex van voorstellingen over hoe vrouwen en mannen zijn en hoe ze zouden moeten zijn.
Later geeft Komter (1990) een aanvulling op dit begrip met de introductie van de macht van de dubbele moraal.
Komter verstaat hieronder het systematische verschil in waarneming, beoordeling, waardering, bejegening en beleving van vrouwen en mannen, met als gevolg dat de bestaande asymmetrie in de verhouding tussen seksen wordt bevestigd.
Met de macht van de dubbele moraal wordt een inhoudelijk facet van de macht van de vanzelfsprekendheid benadrukt: het feit dat steeds opnieuw een bepaald verschil wordt waargenomen tussen vrouwen en mannen.
Dead end jobs
Er bestaan functies met een gunstige en een ongunstige gelegenheidsstructuur volgens Moss Kanter.
Zo typeert zij in haar studie ‘Men and Women of the Corporation’ (1977 in Sanders en Beekes, 1992:146) functies die een bepaalde mate van gelegenheid bieden om in positieniveau te stijgen.
Zij verwijst hier in eerste instantie niet specifiek naar vrouwen- en mannenbanen.
De functies met een gunstige gelegenheidsstructuur zijn opgenomen in een loopbaantraject en de functies met een ongunstige gelegenheidsstructuur kenmerkt Moss Kanter als dead end jobs.
Zij legt een verband tussen de soort functies en de attituden en gedragingen ten aanzien van de loopbaan.
De dead end jobs hebben geen perspectief en demotiveren om tot verdere loopbaanontwikkeling te komen.
De werknemer past de motivatie aan, aan de mogelijkheden die een functie biedt.
Biedt een functie geen perspectief, dan zal men het aspiratieniveau verlagen.
Volgens Moss Kanter doet men dit niet omdat men niet anders zou willen, maar omdat de kosten voor andere gedragskeuzes als het ware te hoog worden.
Volgens haar zetten functies met perspectief mensen juist aan om naar positieverbetering te streven.
Er zijn zowel in mannenberoepen als in vrouwenberoepen dead end jobs, maar in deze doodlopende functies bevinden zich veel meer vrouwen dan mannen.
Het wordt vrouwen meer dan eens verweten dat ze niet de ambities hebben om een carrière na te streven, maar volgens Moss Kanter verklaren juist deze dead end jobs het gebrek aan ambities.
Dit gebrek aan ambities is dan ook meer een gevolg dan een oorzaak van de arbeidsmarktpositie.
Deze functies zijn dus eigenlijk carrièrekillers, want ten eerste belemmeren ze vrouwen om door te stromen en ten tweede nemen ze ook de ambitie weg om een carrière na te streven.
Senioriteitprincipe
De gezinsrol beperkt de mogelijkheden voor vrouwen op de arbeidsmarkt, doordat zij zich niet volledig kunnen richten op betaalde arbeid buitenshuis.
Volgens Sanders en Beekes (1992) is deze manier van denken zeer bepalend voor de kansen die vrouwen en mannen binnen arbeidsorganisaties hebben.
Volgens hen heeft deze manier van denken zich in structuren vertaald, in korte loopbaanlijnen die primair voor vrouwen gelden en in ruimere loopbaankansen die vooral aan mannen zijn voorbehouden.
Sanders en Beekes maken daarin onderscheid tussen een stereotype vrouwelijke levensloopbaan en een stereotype mannelijke levensloopbaan.
Een vrouw neemt dan vaak voor een bepaalde periode niet deel aan de arbeidsmarkt, zodat zij thuis de verzorging van kinderen en huishouden kan verrichten.
Daarna vindt soms een herintreding op de arbeidsmarkt plaats (het in-uitpatroon), meestal in een deeltijdbaan.
Hier sluit het senioriteitprincipe op aan, zoals Sanders en Beekes (1992:149) dat hebben beschreven.
Bij dit principe komen medewerkers met een lang en aaneengesloten dienstverband in aanmerking voor bevorderingen naar hogere posities binnen de arbeidsorganisatie.
Daarnaast is er binnen veel arbeidsorganisaties expliciet dan wel impliciet de regel dat hogere functies zoals leidinggevende en coördinerende banen alleen vervuld kunnen worden door mensen die een volledig dienstverband hebben.
Aangezien veel vrouwen in deeltijd werken en een periode niet hebben deelgenomen aan de arbeidsmarkt in verband met de zorg thuis, heeft deze regel verregaande consequenties voor de kansen van vrouwen binnen arbeidsorganisaties.
De beschrijving van de literatuurstudie in deze paragraaf heeft tot doel gehad om inzicht te verschaffen in het eerste deel van de centrale vraag: welke belemmeringen doen zich voor in het carrièreverloop van vrouwen.
Deze belemmeringen zijn inzichtelijk gemaakt om het tweede deel van de centrale vraag te kunnen beantwoorden namelijk: welke belemmeringen kan deelname aan een vrouwennetwerk weg nemen.
Een beschrijving van deze deelname is in de volgende paragraaf opgenomen.
^ Top
2.2 VROUWEN EN NETWERKEN
Vrouwen kunnen hun positie op de arbeidsmarkt volgens Van Doeveren (1991:11) verbeteren door deel te nemen aan een vrouwennetwerk.
Deze vrouwennetwerken zijn volgens Van Doeveren voornamelijk ontstaan doordat vrouwen zowel kwalitatief als kwantitatief zijn ondervertegenwoordigd op de arbeidsmarkt en zij direct of indirect worden uitgesloten van old boys networks.
Volgens Benschop (1996:192) zijn vrouwennetwerken: “expliciet opgericht door en voor vrouwen die loopbaangericht zijn, hetgeen wil zeggen dat deze vrouwen actief naar een hogere functie streven en het netwerk als een mogelijkheid zien hun loopbaan actief vorm te geven”.
Mannennetwerken zijn vaak als een vanzelfsprekendheid aanwezig binnen organisaties en deelname is voor veel mannen al even vanzelfsprekend.
Voor vrouwennetwerken ligt dat anders.
Vrouwennetwerken zijn meer geïnstitutionaliseerd, want ze hebben besturen en leden.
Vrouwennetwerken hebben daarmee een veel formeler karakter dan mannennetwerken.
Volgens Van Doeveren (1991:12) wordt het vrouwennetwerk gekenmerkt door: “het elkaar ondersteunen als gelijkgestemden in een gelijksoortige situatie”.
Een vrouwennetwerk steunt haar leden in hun persoonlijke ontwikkeling, waardoor hun carrièrekansen worden vergroot.
In deze paragraaf is een korte beschrijving van het ontstaan van vrouwennetwerken opgenomen.
Vervolgens wordt de betekenis van deelname aan een vrouwennetwerk in het carrièreverloop van vrouwen besproken.
^ Top
HET ONTSTAAN
Vrouwennetwerken zijn volgens Van Doeveren (1991) midden jaren zeventig ontstaan in de Verenigde Staten, vermoedelijk vanuit de old boys networks en de women support-groups.
Beide vormen van netwerken worden hieronder toegelicht.
Old Boys Networks
In grote organisaties zijn vaak belangwekkende posities te vergeven.
Ook beschikken deze organisaties vaak over een zogenoemd old boys network waarin deze belangwekkende posities worden verdeeld tussen de leden.
Dit old boys network is anders dan de naam doet vermoeden, niet per definitie een netwerk exclusief voor mannen.
Wel is het zo dat vrouwen maar al te vaak direct dan wel indirect van deze mannennetwerken worden uitgesloten.
Het old boys network wordt door vrouwen volgens Van Doeveren (1991:13) gezien als: “besloten elitaire clubs waarin mannen op hoog niveau beslissingen voorkoken onder het genot van een cognac en een havanna”.
Voor vrouwen roept het old boys network een negatief beeld op, waardoor zij niet kunnen en willen deelnemen in deze netwerken.
Toch bieden deze netwerken op het gebied van arbeid grote voordelen aan de leden.
De contacten binnen deze mannennetwerken vormen volgens Van Doeveren een grote bron van informatie.
Deze informatie kan bijvoorbeeld bestaan uit tips over interessante vrijgekomen functies.
Leden uit het netwerk kunnen elkaar ook voordragen voor bepaalde functies.
De kans op toewijzing van een dergelijke functie stijgt aanzienlijk wanneer een persoon door één van de leden wordt voorgedragen.
Daarnaast kunnen leden uit het netwerk die bij verschillende organisaties werkzaam zijn elkaar projecten en opdrachten toespelen.
Naast het uitwisselen van informatie tijdens bijeenkomsten, kunnen volgens Van Doeveren deze bijeenkomsten ook dienen om de te volgen strategie uit te werken om een bepaald doel te bereiken.
Volgens Van Doeveren (Ibidem:14): “kan uit vertrouwelijke informatie bijvoorbeeld worden afgeleid hoe een bepaald persoon ‘bewerkt’ moet worden om iets van hem gedaan te krijgen”.
Bovendien kunnen tijdens bijeenkomsten de meningen van leden gepolst worden over bepaalde onderwerpen en kan steun worden verworven voor bepaalde ideeën.
Women support-groups
De women support-groups worden ook wel consciousness-raising-groups genoemd en in Nederland staan ze voornamelijk bekend als praatgroepen.
De basis van deze praatgroepen is de persoonlijke emancipatie van de deelnemende vrouwen.
Zij zagen volgens Van Doeveren (1991:14): “het huishouden niet meer als zaligmakend en benadrukten het recht op werk en het recht op gelijke behandeling”.
Deze vrouwen wilden zich niet langer uitsluitend bezig houden met het huishouden en de verzorging het gezin.
Binnen deze praatgroepen was het de bedoeling om een stukje bewustzijn te creëren, wat betreft de eigen mogelijkheden.
Vandaar de naam consciousness-raising-groups. De leden van deze praatgroepen konden veel van elkaar leren.
Met elkaar probeerden ze zich te ontdoen van de geldende normen en waarden.
Deze normen en waarden belemmerden vrouwen in het toetreden op de arbeidsmarkt.
Vrouwen konden elkaar emotioneel steunen en elkaar helpen bij het opkomen voor zelfontwikkeling en zelfontplooiing.
^ Top
DE DEELNAME
Vrouwen worden vaak direct of indirect van mannennetwerken uitgesloten.
Daarom is het volgens Brouns en Schokker (1997) van belang om deel te nemen aan een alternatief netwerk.
Een alternatief netwerk kan een vrouwennetwerk zijn.
Een vrouwennetwerk kan op verschillende manieren de positie van vrouwen ondersteunen.
Hierdoor kunnen vrouwennetwerken een gunstige uitwerking hebben op de belemmeringen die vrouwen ervaren gedurende hun weg naar hogere posities.
Volgens Woodall (1997) wordt de verticale segregatie van arbeid in stand gehouden doordat vrouwen niet deel kunnen nemen aan de informele organisatienetwerken die toegang bieden tot carrièreontwikkelingskansen.
Benschop (1996) onderschrijft eveneens dat informele contacten binnen een organisatie van belang zijn, om de kans om door te stromen te vergroten.
Het is duidelijk dat deelname aan een netwerk van belang is voor het doorstromen naar hogere posities.
Door de ongenaakbaarheid van de old boys networks voor vrouwen werd naar een alternatief gezocht en dat werd gevonden in het vrouwennetwerk.
Uit de literatuur blijkt dat vrouwennetwerken ten opzichte van mannennetwerken minder doeltreffend lijken in het creëren van kansen om door te stromen naar hogere posities.
Dat komt volgens Van der Linden (1993) doordat mannen netwerken als iets vanzelfsprekends zien.
Zij maken gebruik van vriendschappen om zakelijke voordelen te behalen.
Dit echter in tegenstelling tot vrouwen, die vaak moeite hebben met het gebruiken van vriendschappen.
Vrouwen maken volgens Van der Linden niet zo gemakkelijk als mannen een koppeling tussen netwerkcontacten en arbeidsmarktgedrag.
Daarnaast vinden veel netwerkcontacten plaats buiten kantooruren.
Ook in dit opzicht bevinden vrouwen zich in een achterstandspositie, omdat vrouwen zich verantwoordelijk voelen voor de gezinsrol.
Deze gezinsrol bepaalt dat vrouwen hun vrije tijd aan het gezin moeten besteden.
De traditionele patronen, verwachtingen en beeldvorming vormen nog altijd zo’n sterke belemmering dat vrouwen nauwelijks hogere posities bereiken.
De ondervertegenwoordiging van vrouwen in vooral hogere functies, heeft volgens Van Doeveren (1991:26) een aantal gevolgen voor vrouwen:
|
De geïsoleerde positie van vrouwen;
Het bestaan van vooroordelen tegen vrouwen;
Het werken in een door mannen gedomineerde organisatiecultuur;
Overwinning van de angst om fouten te maken, die de vooroordelen kunnen bevestigen.
|
Vrouwen die geconfronteerd worden met één of meer van deze gevolgen gedurende het nastreven van een carrière, kunnen behoefte hebben aan steun van vrouwen die vergelijkbare situaties meemaken of hebben meegemaakt.
Vrouwennetwerken beschikken over vrouwen met dusdanige ervaringen en daardoor kan deelname aan een vrouwennetwerk zo waardevol zijn voor het (indirect) versterken van de arbeidspositie van vrouwen.
Vrouwennetwerken bestaan volgens Van Doeveren (1991:27) juist omdat: “vrouwen ervaringen van andere vrouwen herkennen, er van leren en het als een steun ervaren dat ze niet de enigen zijn in zo’n situatie.
Dat het niet alleen in hun eigen hoofd zit dat ze het niet altijd even gemakkelijk hebben”.
Deelname aan een vrouwennetwerk biedt dus met name ondersteuning om de eerder genoemde gevolgen te kunnen hanteren.
House (1981 in Van Doeveren, 1991:27-30) onderscheidt vier vormen van steun, te weten: emotionele steun, informatie steun, waarderende steun en instrumentele steun.
Deze vormen van steun worden hieronder elk toegelicht.
Emotionele steun
Bij emotionele steun is er sprake van begrip voor de situatie waarin vrouwen zich bevinden.
De belemmeringen vanuit de maatschappij en de arbeidsorganisatie ervaren zij allen in meerdere of mindere mate wanneer zij een carrière na willen streven.
Vrouwen kunnen zich volgens House (1981 in Van Doeveren, 1991:28): “door een steuntje in de rug van andere vrouwen sterker voelen, omdat ze het gevoel hebben er niet alleen voor te staan”.
Dankzij deelname aan het netwerk kunnen vrouwen elkaar ondersteunen om deze belemmeringen te hanteren.
Informatie steun
Van informatiesteun binnen het netwerk is sprake als er informatie wordt uitgewisseld.
Volgens House (1981 in Van Doeveren, 1991:28) gaat het hierbij om informatie als: “de ervaringen die andere vrouwen hebben opgedaan, contacten of namen van relaties of suggesties en tips”.
Doordat de vrouwen binnen het netwerk vaak met vergelijkbare situaties te maken krijgen, kunnen zij elkaar adviseren hoe daar mee om te gaan.
Daarnaast is kennis van mekaars zakelijke achtergrond erg belangrijk zodat men elkaar kan tippen bij vrijkomende functies.
Op deze manier kunnen de carrièrekansen worden vergroot.
Natuurlijk is het lidmaatschap niet de enige mogelijkheid om steun te ontvangen.
Ook familie, vrienden en collega’s kunnen elkaar steunen, maar lidmaatschap bij een vrouwennetwerk biedt steun voor en door vrouwen die zich allen in een vergelijkbare situatie bevinden.
Deze vrouwen treffen dezelfde weerstand uit de samenleving bij het streven naar een carrière en ook in arbeidsorganisaties lopen zij tegen vergelijkbare belemmeringen aan.
Deze vrouwen kunnen zich met elkaar identificeren en dat geeft de meerwaarde weer van steun vanuit het vrouwennetwerk.
Waarderende steun
Volgens House (1981 in Van Doeveren, 1991:29) wordt deze vorm van steun het beste vertolkt door de term feedback.
Onder feedback verstaat House de evaluatie van gedrag, mening en gevoelens.
Bij waarderende steun kijken vrouwen kritisch naar mekaars functioneren en gedrag om door middel van evalueren elkaar te helpen verbeteren.
Doordat de leden van het vrouwennetwerk gelijkwaardig aan elkaar zijn en vergelijkbare situaties meemaken, kunnen zij elkaar goed aanvoelen.
Ze kunnen zich inleven in de ander en daarom zoeken zij steun bij elkaar.
Instrumentele steun
Deze vorm van ondersteuning betekent volgens House (1981 in Van Doeveren, 1991:29-30): “ondersteuning in de meest letterlijke zin van het woord: het letterlijk de helpende hand bieden”.
Het kan bij deze vorm van steun gaan om heel praktische zaken zoals het geven van een lening, het overnemen van mekaars werk bij ziekte of zwangerschap, het aanbieden van faciliteiten als vergaderruimte.
Volgens Van Doeveren (1991:11) kunnen vrouwen hun positie op de arbeidsmarkt verbeteren door deel te nemen aan een vrouwennetwerk.
De kracht van het netwerk zit in de steun die leden elkaar kunnen bieden, zoals Van Doeveren (Ibidem:30) het omschrijft: “als gelijkwaardige partners die ook nog in een gelijksoortige werksituatie zitten”.
Een vrouwennetwerk steunt haar leden in hun persoonlijke ontwikkeling, waardoor deze vrouwen het vermogen hebben om belemmeringen te weerstaan en een carrière na te streven.
Veel vrouwen hebben de behoefte om ervaringen uit te wisselen.
Door ervaringen van andere vrouwen vinden zij bevestiging van hun eigen ervaringen.
Om elkaar te ondersteunen is het van belang om op de hoogte te zijn van mekaars positie, wensen en problemen.
Zo kunnen de netwerksters elkaar gericht ondersteunen en kan op deze wijze direct dan wel indirect een bijdrage worden geleverd aan de carrièreontwikkelingskansen van vrouwen.
Aan de hand van de literatuurstudie is geprobeerd inzicht te geven in het tweede deel van de centrale vraag namelijk: welke belemmeringen kan deelname aan een vrouwennetwerk wegnemen.
Uit de literatuurstudie blijkt dat deelname aan een vrouwennetwerk een positieve invloed heeft op het carrièreverloop van vrouwen.
Maar er is te weinig literatuur beschikbaar om uit te werken welke belemmeringen weggenomen kunnen worden.
De literatuurstudie heeft daarom uitsluitend gediend als basis voor het praktijkonderzoek.
Het praktijkonderzoek zal het inzicht moeten verschaffen in welke belemmeringen door deelname aan een vrouwennetwerk weggenomen kunnen worden.
^ Top
3. METHODISCHE VERANTWOORDING
In dit hoofdstuk wordt de werkwijze die ten grondslag ligt aan deze scriptie besproken.
In de eerste paragraaf zal het onderzoeksobject worden geïntroduceerd.
In de tweede paragraaf zal vervolgens de methode van onderzoek worden besproken en in de derde paragraaf komt de analyse van data aan bod.
Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een uitwerking van de manier waarop de betrouwbaarheid en validiteit van het onderzoek zijn gewaarborgd.
^ Top
3.1 HET VROUWENNETWERK RIJNSTREEK
Een onderzoek naar de relatie tussen deelname aan een vrouwennetwerk en het carrièreverloop van vrouwen leek mij een interessante invalshoek, te meer omdat die relatie in de bestaande literatuur nauwelijks voorkomt.
Om onderzoek te kunnen doen naar de relatie tussen deelname aan een vrouwennetwerk en het carrièreverloop van vrouwen ben ik op zoek gegaan naar vrouwen die hun ervaringen met mij wilden delen op het gebied van carrière maken en netwerken.
Tijdens een zoektocht naar respondenten, stuitte ik op de website van het VrouwenNetwerk Rijnstreek (V.N.R.).
De website van het V.N.R. sprak mij aan en ik heb contact opgenomen met de contactpersoon van dit netwerk.
Na het doel van de scriptie uiteen te hebben gezet werd ik uitgenodigd voor een netwerkavond.
Tijdens deze avond ben ik in contact gekomen met vrouwen die mij meer konden en wilden vertellen over hun carrièreverloop en deelname aan een vrouwennetwerk.
Van de vijfenveertig leden heb ik acht vrouwen gevraagd om mee te werken aan het onderzoek.
De manier waarop deze acht vrouwen zijn geselecteerd, wordt door ’t Hart (1996:238) een sneeuwbalsteekproef genoemd.
De leden van het vrouwennetwerk hebben, op mijn verzoek, vrouwen voorgedragen als geschikte respondenten en deze vrouwen hebben vervolgens ook weer geschikte respondenten aangewezen.
Zo heb ik acht vrouwen bereid gevonden mee te werken aan het onderzoek.
Het V.N.R. is opgericht in 1984 met als doelstelling:
Het steunen en stimuleren van vrouwen, die op grond van opleiding en/of ervaring een verantwoordelijke positie innemen in het bedrijfsleven, bij de overheid, in de politiek, in het vrije beroep, in de non-profit sector en/of als zelfstandig ondernemer in leidinggevende functies, staffuncties en in bestuurlijke functies en het stimuleren van de doorstroming van vrouwen naar hogere functies en het bevorderen van een grotere participatie van de vrouw in invloedrijke posities (Statuten VrouwenNetwerk Rijnstreek, 1984).
|
Het V.N.R. tracht dit doel ondermeer te bereiken door het uitdragen van de doelstellingen van de vereniging en het bevorderen van de emancipatie van de vrouw, door middel van het bieden van een platform voor netwerkers uit de regio Alphen aan den Rijn, het organiseren van bijeenkomsten en het organiseren van festiviteiten zoals symposia, congressen en dergelijke.
^ Top
3.2 METHODE VAN ONDERZOEK
Ten behoeve van deze scriptie is gekozen voor een kwalitatief onderzoek, omdat deze vorm van onderzoek in gaat op de ‘hoe’ en ‘waarom’ vragen.
Antwoord op deze vragen kan inzicht verschaffen in de relatie tussen deelname aan een vrouwennetwerk en het carrièrepad van vrouwen.
Over de relatie tussen deze twee onderwerpen is nauwelijks literatuur bekend, daarom is het onderzoek is te typeren als een explorerend onderzoek.
Er wordt volgens ‘t Hart (1996:72) voor een explorerend onderzoek gekozen: “(...) als er nog weinig kennis of praktische oplossingen bestaan of als deze onbevredigend zijn”.
Een explorerend onderzoek tracht een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van theorie en is daarom in dit verband op zijn plaats.
Om de relatie tussen deelname aan een vrouwennetwerk en het carrièreverloop van vrouwen te kunnen interpreteren wordt eerst gekeken hoe de belemmeringen zich tot deelname aan een vrouwennetwerk verhouden.
Het is van belang om inzichtelijk te maken welke belemmeringen zich voordoen in het carrièrepad van vrouwen, voordat er naar de belemmeringen wordt gekeken die door deelname aan een vrouwennetwerk weggenomen kunnen worden.
Om de belemmeringen in het carrièrepad en de deelname aan een vrouwennetwerk te kunnen interpreteren is inzicht in het levensverhaal van de respondenten essentieel.
Dit heeft geleid tot de keuze voor biografisch onderzoek.
Deze vorm van onderzoek geeft ruimte aan de rijkdom van gegevens en aan de complexiteit in de levens van de respondenten (Davis en Brinkgreve 2002:14-16).
Zo wordt recht gedaan aan het verhaal dat de vrouwen zelf vertellen. Onder een biografie verstaan we een levensbeschrijving van een individueel persoon (Van Dale 2002).
Typerend voor een biografie is, dat ze een samenhangend geheel aan informatie over een bepaalde persoon geeft.
Hierin staat de levensbeschrijving centraal, waarin de bijzonderheden over het leven, het werk en de maatschappelijke betekenis van de betrokkene worden beschreven.
Onmisbaar in het levensverhaal zijn de basisgegevens van de respondent, van haar ouders, van de partner en van de eventuele kinderen.
Er is gekozen voor biografisch onderzoek, omdat er binnen dit soort onderzoek volgens Davis en Brinkgreve (Ibidem:15) meer aandacht is voor: “de complexiteit van de identiteit van mensen, een groter besef dat deze dynamisch is, meervoudig en contextueel bepaald”.
Volgens Davis en Brinkgreve is het veel werk en ook moeilijk om een samenhangend geheel te maken uit de fragmenten van iemands leven.
Deze methode van onderzoek is voor mij ook niet altijd even snel en makkelijk geweest, maar heeft mede dankzij de openheid van de respondenten wel inzicht verschaft in de betekenis van deelname aan een vrouwennetwerk en het carrièreverloop van vrouwen.
Als instrument om data te verzamelen is gekozen voor diepte-interviews.
De diepte-interviews zijn afgenomen bij acht vrouwen die een carrière nastreven en deelnemen aan een vrouwennetwerk.
Bij diepte-interviews worden door de onderzoeker een aantal gespreksonderwerpen aangereikt, die volgens ‘t Hart (1996:280): “nauwkeurig en langdurig worden uitgediept”.
Er is gekozen voor diepte-interviews om achter de ervaringen van de respondenten te komen.
Tijdens de anderhalf uur durende gesprekken zijn vragen afgenomen aan de hand van een zogenoemd interviewschema (Emans, 1985:20).
Er is gebruik gemaakt van een semi-gestructureerd schema, waarin vooraf interviewvragen zijn geformuleerd, maar er is ook ruimte opengelaten om tijdens het interview naar eigen inzicht aanvullende vragen te formuleren.
^ Top
3.3 WERKWIJZE VAN ONDERZOEK
Voorafgaand aan het praktijkonderzoek heb ik de literatuur rond de belemmeringen in het carrièrepad van vrouwen en deelname aan een vrouwennetwerk bestudeerd.
Door me in te lezen in de literatuur heb ik een beeld kunnen vormen van de onderwerpen.
De literatuurstudie naar het carrièreverloop leverde inzicht op in de vraag met welke belemmeringen vrouwen geconfronteerd worden gedurende het nastreven van een carrière.
Deze belemmeringen vormen het eerste deel van de literatuurstudie. Het tweede deel van de literatuurstudie wordt gevormd door de beschrijving van welke belemmeringen door deelname aan een vrouwennetwerk weggenomen kunnen worden.
Op grond van de literatuurstudie zijn diepte-interviews ontwikkeld die in het praktijkonderzoek aan de respondenten zijn voorgelegd.
Tijdens de interviews zijn persoonlijke vragen gesteld, die voor de betrokkenen gevoelig zouden kunnen liggen.
Desondanks hebben de respondenten openhartig hun levensverhaal verteld en dat heeft geresulteerd in waardevolle data die van groot belang is geweest voor dit onderzoek.
^ Top
3.4 ANALYSE VAN DE DATA
De literatuurstudie naar het carrièrepad van vrouwen heeft inzicht verschaft in een aantal relevante belemmeringen.
Deze belemmeringen hebben als leidraad gediend voor het praktijkonderzoek.
De literatuurstudie naar deelname aan een vrouwennetwerk heeft niet voldoende inzicht kunnen verschaffen in welke belemmeringen door deelname aan een vrouwennetwerk weggenomen kunnen worden, doordat hier weinig bekend van is.
Daarom heeft de literatuurstudie naar de deelname aan vrouwennetwerken uitsluitend gediend ter voorbereiding op het praktijkonderzoek.
Het praktijkonderzoek kan wel inzicht verschaffen in welke belemmeringen door deelname aan een vrouwennetwerk weggenomen kunnen worden.
Voor het praktijkonderzoek zijn diepte-interviews gehouden die de levensverhalen van de respondenten hebben opgeleverd.
Deze levensverhalen zijn geanalyseerd en verwerkt tot een biografische introductie.
Vervolgens zijn de belemmeringen waarmee de respondenten zijn geconfronteerd gedurende het nastreven van hun carrière en de belemmeringen die door deelname aan een vrouwennetwerk weggenomen kunnen worden, inzichtelijk gemaakt.
De bevindingen uit de literatuur zijn gestaafd met de resultaten uit de praktijk om zo de centrale vraag te kunnen beantwoorden.
^ Top
3.5 BETROUWBAARHEID EN VALIDITEIT
Er is volgens ‘t Hart (1996:285) sprake van een valide onderzoeksopzet “als daarin is vastgesteld wat de onderzoeker oorspronkelijk wilde weten”.
’t Hart onderscheidt daarin een interne en een externe validiteit.
Er is sprake van interne validiteit als het doel van het onderzoek in belangrijke mate wordt gerealiseerd.
In het geval van dit onderzoek is de interne validiteit zoveel mogelijk gewaarborgd door een systematische werkwijze, waarbij gebruik is gemaakt van een interviewschema (Emans, 1985:20).
Hierbij is een tussenvorm van gestructureerde en ongestructureerde schema’s toegepast.
Er zijn vooraf interviewvragen geformuleerd en in aansluiting daarop zijn tijdens het interview naar eigen inzicht aanvullende vragen geformuleerd en aan de respondent voorgelegd.
Om de interviewsetting niet te beïnvloeden zijn de interviews indien mogelijk afgenomen in een neutrale omgeving, zoals een (stations)restauratie.
Twee interviews zijn echter wel binnen het bedrijf waar de respondent werkzaam is gehouden, maar dan in een ruimte waar vrijuit gesproken kon worden.
De interviews hebben nooit meer dan anderhalf uur geduurd, omdat langere gesprekken ten koste zouden gaan van de concentratie van zowel de respondent als van mijzelf.
Alle interviews zijn vastgelegd door middel van een taperecorder om zoveel mogelijk recht te doen aan de levensverhalen van de respondenten.
De gesprekken zijn uitgewerkt tot een volledig verslag en deze verslagen zijn geanalyseerd.
De voorlopige onderzoeksanalyses zijn ter toetsing aangeboden aan de informanten.
Op deze wijze is getracht om de interne validiteit te waarborgen.
Onder externe validiteit verstaat ’t Hart de generaliseerbaarheid.
Volgens ’t Hart (1996:287) dient de onderzoeker zichzelf eerst af te vragen of het nodig is om te generaliseren.
Gezien de wens om met het onderzoek inzicht te verschaffen in de relatie tussen deelname aan een vrouwennetwerk en het carrièreverloop van vrouwen, is het generaliseren van de onderzoeksgegevens tot op zekere hoogte wenselijk.
Ondanks het ideografische karakter van het onderzoek, zal inhoudelijke generalisatie mogelijk zijn.
Volgens ’t Hart (Ibidem:288-289) gaat het bij inhoudelijke generalisatie om: “de vergelijkbaarheid op hoofdlijnen van de onderzoekssituaties met mogelijke of beoogde situaties die niet zijn onderzocht”.
De bevindingen zullen generaliseerbaar zijn naar vergelijkbare situaties waarin vrouwen zich bevinden.
Onder vergelijkbare situaties worden in dit verband vrouwen verstaan die een carrière nastreven en deelnemen aan een vrouwennetwerk.
^ Top
4. LEVENSBESCHRIJVING
Het doel van dit hoofdstuk is om inzicht te verschaffen in de belemmeringen in het carrièrepad van de respondenten en hun deelname aan een vrouwennetwerk.
Doordat de respondenten hun levensverhaal hebben verteld is er een rijkdom aan gegevens ontstaan, waardoor het mogelijk is te interpreteren hoe deelname aan een vrouwennetwerk zich verhoudt tot de belemmeringen in het carrièrepad van de respondenten.
^ Top
4.1 EEN BIOGRAFISCHE INTRODUCTIE
Voor het praktijkgedeelte van deze scriptie zijn acht vrouwen geïnterviewd die allen deelnemen aan het VrouwenNetwerk Rijnstreek.
De levensverhalen van de respondenten zijn samengevat in een biografische introductie.
Anne
Anne is 37 jaar, gehuwd en heeft drie kinderen en werkt in een voltijdfunctie als directeur/eigenaar.
Anne groeide op in een behoorlijk kerkelijke omgeving samen met haar ouders, haar oudere zus en haar jongere broer.
Haar vader runde tegen zijn zin het familiebedrijf en haar moeder zorgde voor het gezin.
Haar moeder deed wel voor een paar uurtjes per week vrijwilligerswerk.
Dit vrijwilligerswerk kon haar moeder combineren met de zorg voor kinderen en huishouden.
Haar vader stond achter het vrijwilligerswerk, mits hij er geen last van had.
Anne is nooit door haar ouders gestimuleerd om te gaan studeren.
Toch heeft ze na de LTS en de MTS de HTS gedaan.
Toen ze op haar zesentwintigste het familiebedrijf wilde overnemen, was haar vader daar behoorlijk onverschillig over.
Hij probeerde nog zijn zoon in het bedrijf te krijgen, maar dat is niet gelukt.
Anne heeft de onderneming uitgebreid van een winkeltje met zestien medewerkers tot een bedrijf met zeventig medewerkers.
Haar partner heeft in eerste instantie geholpen om het bedrijf uit te bouwen, maar sinds een paar jaar runt Anne het bedrijf zelf.
Anne is getrouwd en twee jaar later zijn er kinderen gekomen.
De aanwezigheid van partner en kinderen heeft behoorlijk invloed gehad op het nastreven van een carrière.
Anne heeft ervoor gekozen haar ambitieniveau te verlagen, om zo haar verantwoordelijkheid voor het gezin te kunnen nemen.
De verdeling van huishoudelijke werkzaamheden is volgens Anne niet helemaal in balans.
Zij draagt de grootste verantwoordelijkheid en is de thuismanager, hij voert de opgedragen taken uit.
Zij is ook verantwoordelijk voor het regelen van opvang voor de kinderen tijdens haar afwezigheid.
Vanuit haar omgeving ervaart Anne niet echt een negatief oordeel over haar carrière en moederschap.
Dat komt volgens haar doordat ze haar kinderen niet naar een crèche brengt.
Dat zou ze zelf ook niet willen, dus komt er oppas aan huis.
Op haar zesentwintigste is ze lid geworden van de businessclub in haar woonplaats.
Die club bestond voor vijfennegentig procent uit mannen.
Hierin heeft Anne zich niet kunnen ontplooien.
Ook heeft Anne zich op haar zesentwintigste aangesloten bij het bedrijvennetwerk.
Dit netwerk bestond ook bijna geheel uit mannen.
Deze mannen waren niet blij met haar deelname aan het netwerk en het is voor haar erg moeilijk geweest om stand te houden in dit netwerk.
Uiteindelijk is dat gelukt en Anne is nu een gewaardeerd lid en heeft inmiddels de verantwoordelijkheid over de CAO-onderhandelingen toegewezen gekregen.
Dat zij zich als vrouw binnen een netwerk gedomineerd door mannen heeft kunnen manifesteren heeft er mee te maken dat haar vestigingen altijd binnen de top tien van meest succesvolle ondernemingen hebben gestaan.
Wel heeft ze ervaren dat ze zich als vrouw veel harder heeft moeten bewijzen dan de mannen binnen het netwerk.
Anne is op zoek gegaan naar een netwerk voor haar persoonlijke ontwikkeling.
Uiteindelijk is ze bij het VrouwenNetwerk Rijnstreek terechtgekomen.
Van dit vrouwennetwerk verwacht ze een stukje intervisie met vrouwen die in hetzelfde keuzeproces zitten van werk en zorg.
Anne heeft nog niet aan heel veel mensen verteld dat ze deelneemt aan een vrouwennetwerk.
De reacties tot dusver zijn niet echt positief.
De meeste mensen vinden een vrouwennetwerk niet passen bij Anne.
Dit hangt volgens haar samen met het negatieve beeld dat veel mensen hebben van een vrouwennetwerk.
Bea
Bea is 39 jaar, gehuwd en heeft vier kinderen en werkt in een deeltijdfunctie voor 24 uur als projectadviseur/-leider.
Bea groeide op bij beide ouders en heeft een drie en een half jaar jongere zus.
Haar vader zorgde voor het hoofdinkomen en haar moeder zorgde voor de kinderen en het huishouden.
Haar moeder werkte daarnaast vanaf het moment dat Bea’s zusje ook naar school ging in de gezinsverzorging.
Haar vader nam weinig zorgtaken op zich, deed meer de leuke dingen met de kinderen.
De voorwaarde voor betaalde arbeid buitenshuis was voor de moeder van Bea dat ze dit kon combineren met het moederschap.
Daardoor kwam ze in de thuiszorg terecht.
Voordat Bea’s moeder zwanger was, werkte ze in de verpleging, maar daar moest ze mee stoppen toen ze zwanger werd.
Ze kon daarna niet terug keren naar de verpleging, want dan zou ze onregelmatig moeten werken en ook nachtdiensten moeten draaien en dat was niet mogelijk want ze wilde thuis zijn voor haar gezin.
De moeder van Bea was hoger opgeleid dan haar vader.
Bea is van huis uit altijd gestimuleerd om te gaan studeren.
De keuze voor een bepaalde studierichting was vrij, ook al had haar vader haar graag naar de politieacademie zien gaan, of burgemeester zien worden.
Haar ouders hebben haar ook altijd gesteund in haar keuzes.
Bea wist altijd al dat ze graag kinderen wilde en liefst vier maar geen man.
Inmiddels is ze daar wel van terug gekomen, ze is getrouwd en heeft inderdaad vier kinderen gekregen.
Dat heeft behoorlijk invloed gehad op haar carrière, want ze is minder gaan werken.
Ze heeft haar ambities bij moeten stellen en heeft een stapje terug gedaan.
Ze had wel hoger op gewild maar niet in combinatie met vier kinderen.
Ze heeft een tijd uit alle macht geprobeerd projectleider te zijn.
Maar daarvoor moest ze eigenlijk fulltime beschikbaar zijn en dat terwijl ze vier dagen werkte.
Gevolg was dat er tijdens haar vrije dag ook veel gebeld werd zodat zij er niet echt voor de kinderen was en daar voelde ze zich niet goed bij.
Ze heeft op dit moment geen ambitie om afdelingshoofd te worden, omdat ze dan als het ware ook een gezin moet runnen, terwijl ze thuis al een gezin heeft en dan zou het één teveel ten koste gaan van het ander.
Voor het werk van de man van Bea moest het gezin verhuizen naar een nog al traditioneel dorp.
Daar ervaart Bea weerstand vanuit de omgeving op haar combinatie van moederschap en carrière.
Daar had Bea het wel een beetje moeilijk mee.
Ook had Bea het zo nu en dan moeilijk met de keuze tussen haar kind of haar werk, waar ze zo nu en dan mee werd geconfronteerd.
Tijdens haar carrière heeft Bea jaren gewerkt in een wereld die werd beheerst door mannen.
Vrouwen konden het daar redden mits ze zich aanpasten aan de verwachtingen van die mannen.
Bea kon daar niet goed tegen en dat was voor haar het moment om zich aan te sluiten bij een vrouwennetwerk.
Het vrouwennetwerk heeft Bea heel veel steun geboden.
Bea ziet het vrouwennetwerk als een heel veilige omgeving, waar ze een heel goed gevoel bij heeft.
Ze ziet het als een soort zielsverwantschap.
Cora
Cora is 45 jaar, gehuwd en heeft één kind en ze werkt in deeltijd voor 32 uur als directeur/eigenaar.
Cora is de jongste van vier kinderen, waarvan twee jongens en twee meisjes.
Ze is opgegroeid bij haar moeder, omdat haar vader twee weken na haar derde verjaardag is overleden.
Haar moeder werkte één middag in de week in de huishouding bij de huisarts.
Haar moeder zorgde voor de opa van Cora die bij hen in woonde.
De moeder van Cora heeft haar vader beloofd ervoor te zorgen dat de kinderen goed terecht zouden komen.
Dat is haar levensdoel geworden.
De moeder van Cora heeft alle kinderen altijd gestimuleerd om te studeren.
De familie vond dit onzin, vooral voor de meisjes.
Haar moeder liet haar ook vrij wat betreft de studierichting.
Tijdens haar carrière heeft Cora zich altijd heel goed kunnen identificeren met vrouwelijke bazen en toen ze zelf in een besluitvormingspositie terechtkwam heeft ze ook altijd heel veel vrouwen aangenomen.
Ze voelde zich altijd prettiger bij vrouwen, omdat vrouwen betrouwbaarder en loyaler zijn.
Cora merkte tijdens haar carrière dat vrouwen zich veel harder moesten bewijzen dan mannen en daar heeft ze altijd heel veel moeite mee gehad.
Lange tijd heeft ze willen laten zien wat ze waard was en uiteindelijk is ze in banen met meer en meer verantwoordelijkheid terechtgekomen, waarin ze uiteindelijk leiding gaf aan circa zeshonderd medewerkers.
Toen Cora haar huidige partner leerde kennen was deze net gescheiden.
Dit bracht veel narigheid met zich mee, te meer omdat zijn kinderen moeite hadden met de nieuwe situatie.
Uiteindelijk hebben Cora en haar partner dit kunnen overwinnen en hebben ze samen een kind gekregen.
Vanwege haar moederschap is Cora toen één dag in de week minder gaan werken.
Dit leverde eerst de nodige weerstand op, maar is uiteindelijk toch geaccepteerd.
Na het zwangerschapsverlof vond Cora het moeilijk om er weer tussen te komen bij haar collega’s.
Haar plekje was ingenomen en dat werd niet zo makkelijk meer aan haar afgestaan.
Vanuit de omgeving hoort Cora zo nu en dan negatieve geluiden rond haar keuze voor de combinatie van moederschap en carrière.
Cora zelf heeft daarmee niet zoveel problemen.
Waar ze veel meer problemen mee had is de keuze tussen haar kind of haar werk, waar ze zo nu en dan mee wordt geconfronteerd.
Cora heeft eerst een netwerk rond haar werkkring geprobeerd, maar dat vond ze vreselijk. Ze voelde zich daar heel erg bekeken en gekeurd.
Ze is in het vrouwennetwerk gestapt toen haar zoon is geboren.
De reden daarvoor was dat ze ervaringen wilde uitwisselen met vrouwen.
Ze had het vrouwennetwerk niet zozeer nodig voor haar carrière, maar ze wilde gewoon een avondje de batterij opladen.
Diane
Diane is 40 jaar, woont ongehuwd samen, heeft geen kinderen en ze is werkzaam in een voltijdfunctie als redacteur landelijk dagblad.
Diane komt uit een gezin bestaande uit vader, moeder en drie kinderen. Diane is de oudste van de kinderen.
Haar vader zorgde voor de hoofdinkomsten en haar moeder zorgde voor het huishouden en de kinderen.
Toen Diane zeven jaar was, is haar moeder weer gaan werken als lerares op een lagere school.
Haar moeder werkte deeltijd zodat het goed was te combineren met het gezin.
Van kleins af aan wilde Diane iets doen met diergeneeskunde.
Dat zag haar moeder echter niet zitten, ze vond het niets voor een meisje en ze vond het veel te zwaar.
Ze heeft Diane ervan proberen te weerhouden.
Uiteindelijk is Diane Frans gaan studeren en daar was haar moeder erg blij mee.
Diane is na haar studie bij een dagblad terechtgekomen.
Bij dat dagblad bestaat een vrij platte hiërarchie en er zijn daardoor weinig doorgroeimogelijkheden.
Toch is Diane vijf jaar lang leidinggevende geweest, maar uiteindelijk wilde ze toch weer terug naar de journalistiek.
De partner van Diane woont en werkt tijdelijk in het buitenland.
Maar vanwege haar carrière is ze niet met hem meegegaan.
De omgeving van Diane heeft daar geen enkel probleem mee, maar in de familie ondervindt ze wel weerstand.
Nu haar partner bijna weer terug komt is de familie door het dolle heen, alsof Diane vreselijk geleden heeft en haar partner totaal is vereenzaamd.
Diane heeft zich aangemeld bij het vrouwennetwerk, omdat zij geen netwerk had dat kon dienen als informatiebron.
Voor het schrijven van artikelen zouden netwerkcontacten Diane zeer goed van pas komen en deze contacten heeft ze bij het VrouwenNetwerk Rijnstreek gevonden.
Het vrouwennetwerk heeft Diane heel veel steun geboden.
Zonder het netwerk was ze nooit zo vroeg tot de beslissing gekomen om een leidinggevende functie te gaan bekleden.
Diane had altijd het idee dat ze boven de veertig moest zijn voor een leidinggevende functie, maar dankzij de bemoedigingen uit het vrouwennetwerk heeft zij de stap eerder durven zetten.
Ook Diane ondervindt soms last van de negatieve beeldvorming rond vrouwennetwerken.
Dit heeft zelfs bijna een keer geleid tot slaande ruzie met de partner van een vriendin.
Het vrouwennetwerk wordt vaak in de theekransen hoek geduwd of wordt gezien als een elitair of rijke-vrouwen clubje.
Diane ziet het vrouwennetwerk als een soort vangnet, waarbij het accent op het zakelijke vlak ligt, maar waar ook ruimte en aandacht is voor de persoonlijke ontwikkeling.
Elsa
Elsa is 59 jaar, gehuwd, heeft twee kinderen en is werkzaam in een deeltijdfunctie voor 32 uur als hoofd financiële administratie.
Elsa is opgegroeid bij beide ouders en heeft een oudere broer en een jongere zus.
Haar vader zorgde voor de inkomsten en haar moeder voor het huishouden en de kinderen.
Elsa heeft altijd heel veel in de huishouding moeten doen, omdat haar moeder een zoals ze zelf zegt schoonheidsfreak was.
Ze woonden maar in een klein huisje en ze hadden een werkster, maar toch moest Elsa als ze uit school kwam huishoudelijke arbeid verrichten.
De broer van Elsa hoefde dit niet te doen, omdat hij ten eerste een jongen was en ten tweede omdat hij een avondopleiding volgde.
Het zusje van Elsa was veel jonger, maar toen Elsa de deur uit ging, moest haar zusje huishoudelijke arbeid verrichten.
De moeder van Elsa heeft nooit gewerkt. Er heerste thuis armoede, omdat de vader van Elsa zijn ouders moest onderhouden.
Elsa's moeder had een gat in haar hand, ze was het financieel altijd heel ruim gewend en kocht vaak nieuwe kleding.
Elsa zat op het lyceum en daar was haar vader heel trots op, maar op een gegeven moment is ze daar vanaf gegaan zodat ze kon werken en ze het thuis wat breder hadden.
Via diverse cursussen is ze toen in een garage terechtgekomen.
De autowereld bestond voornamelijk uit mannen en in die wereld heeft ze het niet altijd even makkelijk gehad.
Elsa was inmiddels moeder geworden van een zoon en een dochter.
Dankzij de steun van haar echtgenoot, schoonmoeder en een kindermeisje had ze de mogelijkheid om carrière te maken.
Ze werkte vanaf het moment dat haar jongste kind naar de kleuterschool ging fulltime aan haar carrière en is uiteindelijk in de makelaardij en assurantiën terechtgekomen.
De omgeving bestond vooral uit gezinnen met een bovenmodaal inkomen.
Maar van die gezinnen werkten alleen de mannen, terwijl veel vrouwen een gedegen opleiding hadden gevolgd.
Via via hoorde Elsa wel eens kritiek, maar dan was er vaak eerder sprake van afgunst.
Elsa is sinds een aantal jaren lid van de rotary.
Van oorsprong was dat een mannenclub, waar uiteindelijke vrouwen zijn toegelaten.
Zo’n twintig jaar geleden is Elsa lid geworden van het VrouwenNetwerk Rijnstreek.
In eerste instantie voelde ze zich daar niet thuis, omdat de andere leden hadden gestudeerd en Elsa niet.
Maar uiteindelijk is Elsa zich toch thuis gaan voelen bij het vrouwennetwerk en is al die tijd trouw lid gebleven.
Ze heeft veel uit het netwerk kunnen halen in de persoonlijke sfeer, want voor haar carrière had ze het netwerk niet nodig.
Femke
Femke is 51 jaar, gehuwd, heeft geen kinderen en ze werkt in een deeltijdfunctie voor 32 uur als hoofd topografisch historische atlas.
Femke is opgegroeid bij beide ouders en is de oudste van vijf broertjes en zusjes.
Haar vader zorgde voor de inkomsten en haar moeder zorgde voor het huishouden en het gezin.
Eigenlijk had haar moeder een dubbele baan, want als haar vader afwezig was in verband met één van zijn vele bestuursfuncties, runde haar moeder het boerenbedrijf.
Wat betreft de zorg voor de kinderen keek de vader niet naar ze om.
De taakverdeling tussen de broertjes en de zusjes was als volgt: de meisjes moesten huishoudelijke arbeid verrichten en de jongens hoefden niets te doen op een enkel klusje op de boerderij na.
Femke haar moeder heeft voor haar huwelijk wel betaalde arbeid verricht in de gezinsverzorging.
Toen ze getrouwd was is ze gestopt met werken en bleef ze thuis.
Haar moeder heeft altijd gezegd dat haar kinderen mochten studeren als ze dat wilden, maar Femke haar vader wilde daar niets van weten.
Haar vader wilde dat ze naar de huishoudschool ging, zodat ze haar moeder beter kon assisteren in het huishouden.
Na heel erg veel zeuren en toen haar vader inzag dat ze dan op haar zestiende mooi achter de balie van de Boerenleenbank kon werken mocht Femke naar de Mulo.
In die periode is de vader van Femke gestorven en heeft ze het bij haar moeder, na veel zeuren, voor elkaar gekregen dat ze naar de Havo mocht.
Femke is voor de klas terechtgekomen, maar heeft na een aantal jaren haar baan opgezegd, tot grote schrik van haar moeder.
Toen heeft ze de kans gegrepen om te gaan studeren en na haar studie is ze in verschillende banen terechtgekomen, waartussen soms perioden van werkloosheid voorkwamen.
In één van die perioden is Femke begonnen met het schrijven van een proefschrift en is daar na een aantal jaren op gepromoveerd.
Doordat Femke en haar partner geen kinderen hebben gekregen, heeft Femke de mogelijkheid gehad om te promoveren.
Zelf denkt ze dat haar dat in combinatie met kinderen niet was gelukt.
Het vrouwennetwerk is ongeveer tien jaar geleden in haar leven gekomen.
Lange tijd heeft ze erg veel moeite met het netwerk gehad, omdat ze netwerken zag als het gebruiken van een kruiwagen en daar had ze een afkeer van.
Uiteindelijk heeft ze bij het vrouwennetwerk ervaren dat netwerken ook het leren kennen van mensen kan zijn en het uitwisselen van ervaringen.
Femke was niet gewend om dingen te vragen, maar het vrouwennetwerk heeft haar het vertrouwen gegeven om zich open te stellen.
Van het vrouwennetwerk heeft ze heel veel steun en waardering ontvangen.
De omgeving reageerde wisselend op haar deelname aan het vrouwennetwerk.
Vooral de mannen gaven niet altijd de meest leuke reacties.
Maar Femke is het stadium voorbij dat ze het gevoel heeft zich te moeten verdedigen.
Ze heeft zelf een positieve stimulans gekregen uit het netwerk en dat is voor haar belangrijk.
Gerda
Gerda is 48 jaar, gehuwd en heeft twee kinderen en ze is voltijd werkzaam als adviseur bij een landelijk werkend bureau in de gezondheidszorg en heeft een eigen praktijk.
Gerda is opgegroeid bij haar vader en moeder en drie oudere broers.
Haar vader zorgde voor de inkomsten en haar moeder voor het huishouden en de kinderen.
Voor haar huwelijk heeft haar moeder buitenshuis betaalde arbeid verricht, maar daar moest ze mee stoppen toen ze trouwde.
Gerda vond het als kind fijn dat haar moeder thuis was, maar wilde zelf niet zo’n leven.
Studeren is nooit van huis uit gestimuleerd.
Gerda heeft wat nu het VWO heet gedaan en dat was in die tijd behoorlijk hoog voor een meisje.
Daarna was het vanzelfsprekend dat ze ging werken.
Haar broers werden wel heel erg gestimuleerd om te studeren en de wijde wereld in te gaan.
Maar voor Gerda vonden haar ouders dat allemaal niet nodig en ze vonden het bovendien ook veel te gevaarlijk voor een meisje.
Na zes jaar gewerkt te hebben, heeft Gerda tot grote schrik van haar ouders haar baan opgezegd en is ze gaan studeren.
Toen het uiteindelijk erg goed ging met haar studie waren haar ouders wel erg trots.
Na haar studie heeft Gerda een leuke baan gevonden en is sinds kort een eigen praktijk begonnen samen met haar partner.
Samen hebben Gerda en haar partner twee kinderen.
Gerda is vier dagen per week gaan werken in plaats van vijf en tegenwoordig werkt haar partner vanuit huis, waardoor zij samen voor een groot deel hun kinderen op kunnen vangen.
In de omgeving van Gerda werken de meeste moeders, maar meestal niet zoveel als zij.
Toch ervaart zij niet echt negatieve reacties op het nastreven van een carrière.
Waarschijnlijk heeft dit volgens Gerda te maken met het feit dat het accent van de kinderopvang altijd thuis heeft gelegen.
Ongeveer tien jaar geleden heeft Gerda zich aangemeld bij het VrouwenNetwerk Rijnstreek.
Via via werd zij geïntroduceerd bij dit netwerk.
Voor haar carrière had deelname niet direct een meerwaarde, maar voor haar persoonlijke ontwikkeling wel.
Sinds Gerda haar eigen praktijk is begonnen heeft het netwerk haar wel concreet voordeel opgeleverd.
In haar omgeving heeft Gerda het niet aan de grote klok gehangen dat ze deelneemt aan een vrouwennetwerk.
Echt negatieve reacties heeft ze daardoor nog niet ontvangen.
Hilde
Hilde is 33 jaar, woont ongehuwd samen, heeft geen kinderen en ze is voltijd werkzaam als manager human resources.
Hilde groeide op bij beide ouders als enig kind.
Haar vader zorgde voor de inkomsten en haar moeder voor haar en het huishouden.
Toen Hilde naar de kleuterschool ging is haar moeder in de verpleging gaan werken.
Voor haar huwelijk had ze ook als verpleegkundige gewerkt.
Ze werkte parttime zodat ze overdag thuis was voor Hilde.
Haar vader kwam dan aan het eind van de dag thuis en dan was haar moeder net naar haar werk vertrokken.
Die tijd daartussenin bracht Hilde door bij de buren.
Haar moeder was wel degene die de meeste huishoudelijke- en zorgtaken verrichtte.
Maar toen Hilde wat ouder was, heeft zij ook huishoudelijke taken op zich genomen.
De buitenwereld reageerde wel eens verbaasd en zelfs negatief op de arbeid buitenshuis van Hilde haar moeder.
Maar zij heeft zich daar niets van aangetrokken.
De ouders van Hilde hebben haar altijd erg gestimuleerd om te gaan studeren.
Maar toen ze uiteindelijk koos voor Nederlandse taal- en letterkunde, waren haar ouders eerst wel een beetje angstig of dat echt wel een goede keuze voor haar zou zijn.
Na haar studie is Hilde bij verschillende bedrijven werkzaam geweest.
Niet alle arbeidsverbanden zijn even goed verlopen en na een aantal keren van werkgever te zijn veranderd is Hilde via het vrouwennetwerk aan een interessante baan gekomen.
Hilde woont samen met haar partner en wordt vanuit haar omgeving regelmatig met de vraag geconfronteerd waarom ze nog geen kinderen heeft.
Verbaasde reacties en voorspellingen als ‘dat komt nog wel’ zijn het resultaat.
Of er kinderen komen, is volgens Hilde nog maar de vraag, aangezien zij behoorlijk gedreven is in het nastreven van een carrière.
Haar partner zou bij een eventuele kinderwens bereid zijn minder te gaan werken.
Sinds een paar jaar is Hilde lid van het VrouwenNetwerk Rijnstreek.
Ze was opzoek naar een club gelijkgestemden en die vond ze bij het vrouwennetwerk.
De grote meerwaarde van het netwerk vindt ze de emotionele steun.
Door het uitwisselen van ervaringen kan ze zich sterken in bepaalde situaties en daar op het persoonlijke vlak in groeien.
Ook heeft het netwerk haar huidige functie opgeleverd.
Maar de kracht van het vrouwennetwerk is voor Hilde vooral de persoonlijke ontwikkeling.
In de omgeving van Hilde beschouwen sommigen vrouwennetwerken als een groep fanatieke feministen.
Maar daar trekt Hilde zich niet al te veel van aan.
Voor haar is het netwerk belangrijk en ze haalt er heel veel uit en dat is voor haar een grote meerwaarde.
De biografische introductie bestaat uit een beknopte beschrijving van de levensverhalen van de respondenten.
Uit de levensverhalen blijkt dat er een grote diversiteit bestaat tussen de vrouwen met betrekking tot hun achtergrond, carrièreverloop en deelname aan een vrouwennetwerk.
De respondenten hebben met elkaar gemeen dat ze een carrière nastreven en dat ze deelnemen aan een vrouwennetwerk.
In de volgende paragraaf zijn de belemmeringen die zich voordoen in het carrièreverloop van de respondenten uitgewerkt en vervolgens is in de paragraaf daarna weergegeven welke belemmeringen door deelname aan een vrouwennetwerk weggenomen kunnen worden volgens de respondenten.
^ Top
4.2 DE WAARNEMINGSRESULTATEN
In deze paragraaf zijn de waarnemingsresultaten van het praktijkonderzoek weergegeven.
In het eerste deel van deze paragraaf zijn de belemmeringen uitgewerkt, die zich op het carrièrepad van de respondenten voordoen.
In de beschrijving van het carrièrepad is het tijdspad waarin de gebeurtenissen zich afspelen gehandhaafd.
Zo is er eerst gekeken naar de gezinssituatie waarin de respondenten zijn opgegroeid, vervolgens naar het onderwijsverleden en daarna naar het carrièrepad.
In het tweede deel van deze paragraaf is de deelname aan vrouwennetwerken uitgewerkt.
^ Top
HET CARRIÈREPAD
De respondenten hebben met elkaar gemeen dat ze allemaal in gezinnen zijn opgegroeid waar sprake was van een traditionele rolverdeling.
Alle moeders droegen de verantwoordelijkheid voor het gezin en huishouden en alle vaders waren verantwoordelijk voor de inkomsten.
Sommige moeders van de respondenten combineerden de verantwoordelijkheden binnenshuis met het verrichten van betaalde arbeid buitenshuis.
Deze moeders hadden allen een deeltijdfunctie in een typisch vrouwenberoep, zodat zij de verantwoordelijkheden voor het gezin en huishouden konden blijven dragen.
Uit de interviews is geen verschil gebleken in het carrièreverloop van de respondenten dat te herleiden is naar een gezinssituatie met een werkende moeder of niet.
Ook op het gebied van scholing hebben de respondenten gemeen dat ze allen een opleiding hebben gevolgd.
De manier waarop de keuze voor een opleiding tot stand is gekomen verschilt echter wel sterk van elkaar.
Uit de interviews is gebleken dat het merendeel van de respondenten door de ouders werd gestimuleerd om een opleiding te volgen.
Drie respondenten zijn echter van huis uit niet gestimuleerd.
Bij één respondent kwam dat met name voort uit onverschilligheid.
Toen zij besloot om te gaan studeren vonden haar ouders dat gewoonweg niet nodig.
Twee respondenten werden niet door hun ouders gestimuleerd vanwege hun sekse.
Zij werden door hun ouders belemmerd om een opleiding te volgen, na de middelbare school moesten deze twee respondenten werk zoeken.
Zo zijn zij beide terechtgekomen in een baan met weinig carrièreperspectief.
Het is nooit gestimuleerd van huis uit.
Bij jongens wat meer dan bij meisjes.
Maar ik had V.W.O. en dat was al vrij hoog voor een meisje, ten minste in het milieu waar ik dan in zat.
Mijn ouders hebben nooit gezegd, goh zou je niet willen studeren.
Ze vonden het prachtig dat ik secretaresse werd bij een ziekenfonds.
(Gerda, 48 jaar, gehuwd, twee kinderen, voltijdfunctie, adviseur bij een landelijk werkend bureau in de gezondheidszorg en eigen praktijk)
Mijn vader wilde mij naar de huishoudschool hebben, want dat was natuurlijk hartstikke makkelijk om mijn moeder te assisteren.
Ik wilde zelf graag naar de MULO en ik heb net zo lang gezeurd tot ik van mijn vader naar de MULO mocht.
En die zag al meteen voor zich, als je klaar bent met je zestiende, kun je mooi achter de balie van de Boerenleenbank.
Dat was eigenlijk zijn insteek.
(Femke, 51 jaar, gehuwd, geen kinderen, deeltijdfunctie voor 32 uur, hoofd topografisch historische atlas)
|
De vijf respondenten die door hun ouders werden gestimuleerd om een opleiding te volgen, werden niet allemaal vrijgelaten in hun studiekeuze.
Bij één van de respondenten had dat duidelijk te maken met sekse.
Zij wilde graag een studie doen die zou resulteren in een zwaar beroep en dat werd door de ouders niet geschikt geacht voor een meisje.
Uiteindelijk heeft de respondent besloten om voor een andere studie te kiezen.
Toen zij voor een talenstudie koos, waren haar ouders daar zeer tevreden mee.
|
Ik wilde van kleins af aan dierengeneeskunde gaan studeren, maar mijn moeder was er erg op tegen, die vond dat niets voor een meisje.
Dat was veel te zwaar en ’s nachts werken die vond dat niks en dat liet ze ook duidelijk merken.
(Diane, 40 jaar, ongehuwd samenwonend, geen kinderen, voltijdfunctie, redacteur landelijk dagblad)
|
De twee respondenten die geen opleiding hebben kunnen volgen na de middelbare school zijn hierdoor in banen terechtgekomen met weinig carrièreperspectief.
Om hun carrièreperspectieven te vergroten hebben zij allebei, na een aantal jaren werkzaam te zijn geweest, alsnog besloten om een opleiding te volgen.
Ze hebben beide hun baan opgezegd om zich volledig op hun studie te kunnen richten.
Door deze keuze stuitten zij allebei op veel onbegrip en boosheid van hun ouders.
De ouders waren van mening dat hun dochters werkzaam waren in een geschikte baan, terwijl de respondenten zelf het gebrek aan carrièreperspectief een groot bezwaar vonden.
Op een gegeven moment hebben de ouders van beide respondenten ingezien dat het volgen van een opleiding interessante functies dichterbij bracht.
Vanaf dat moment hebben de ouders de respondenten wel gestimuleerd in het voltooien van hun opleiding.
Toen ik ging studeren waren ze in feite heel boos.
Ik had een heel goede baan.
Dus toen ging ik toch studeren en uiteindelijk, toen ik toch de propedeuse had, zeiden mijn ouders van hartstikke goed en straks een leuke baan.
(Gerda, 48 jaar, gehuwd, twee kinderen, voltijdfunctie, adviseur bij een landelijk werkend bureau in de gezondheidszorg en eigen praktijk)
Later vond mijn moeder het vreselijk dat ik mijn baan opzij, ik stond toen voor de klas.
Ze snapte niet wat ik ging doen, dat ik naar Nijmegen ging.
Ik had toch zo’n goeie baan ze begreep er helemaal niets van en dat ik daarna nog een keer switchte van baan al helemaal niet.
Maar mijn moeder was vorig jaar wel apetrots toen ik promoveerde.
En die heeft toen een briefje geschreven waarin ze zette dat ze zeker wist dat mijn vader ook apetrots zou zijn.
(Femke, 51 jaar, gehuwd, geen kinderen, deeltijdfunctie voor 32 uur, hoofd topografisch historische atlas)
|
Ondanks dat niet alle respondenten van huis uit werden gestimuleerd, hebben zij uiteindelijk allemaal een opleiding genoten.
Daarna zijn de respondenten een carrière na gaan streven en hebben ze allemaal een gezin gevormd, al dan niet met kinderen.
Alle respondenten hebben gemeen dat ze een carrière na streven en samenleven met een werkende partner.
Van de traditionele rolverdeling die tijdens hun eigen opvoeding van toepassing was, lijkt daardoor geen sprake meer te zijn.
Toch heeft de verdeling van de werkzaamheden in bijna alle gevallen toch wel een traditioneel tintje.
De partners van de respondenten dragen allemaal hun steentje bij aan de verzorging voor gezin en huishouden, maar de verantwoordelijkheid ligt in bijna alle gevallen bij de vrouw.
Mijn man komt thuis en zegt hèhè ik ben thuis en pakt een krantje en neemt een biertje.
Hij doet de hele avond dus niets meer.
Dat kan ik niet, ik heb bepaalde eisen.
Een aantal dingen gaan hem gewoon heel gemakkelijk af als voor de kinderen zorgen en de was doen.
Maar echt opruimen en zien dat er dingen gedaan moeten worden als stoffen en dweilen, dat niet en dat irriteert mij eerder.
(Gerda, 48 jaar, gehuwd, twee kinderen, voltijdfunctie, adviseur bij een landelijk werkend bureau in de gezondheidszorg en eigen praktijk)
Hij neemt heel veel taken op zich als ik er niet ben, maar het gaat mis als we het alle twee gaan doen.
Twee kapiteinen op een schip, dan hadden we bijvoorbeeld 84 rollen wc papier, maar geen jus d'orange meer, maar het omgekeerde gebeurt ook, dat we dan 24 pakken jus d'orange hebben maar geen wc papier.
(Anne, 37 jaar, gehuwd, drie kinderen, voltijdfunctie, directeur/eigenaar)
|
Ook al is het tegenwoordig meer geoorloofd om buitenshuis te werken, toch blijft de gezinsrol de verantwoordelijkheid van de vrouw.
Hoe meer tijd zij in haar carrière steekt, hoe minder tijd zij over heeft om thuis werkzaamheden te verrichten, waardoor zij dubbel belast wordt.
Deze dubbele belasting levert een rolconflict op.
Dit rolconflict komt voort uit de verantwoordelijkheid voor het gezin en de wens om buitenshuis betaalde arbeid te verrichten.
In het verleden losten veel vrouwen dit rolconflict op door niet of nauwelijks buitenshuis te werken, maar door zich volledig te richten op de gezinsrol.
Van de acht respondenten hebben vijf respondenten kinderen gekregen en uit de interviews blijkt dat de zij zich juist willen richten op een carrière, maar dat zij dat willen combineren met het moederschap.
Dat levert ze een rolconflict op, omdat zij dan niet kunnen voldoen aan de verwachtingen ten aanzien van hun gezin.
|
Ik kreeg met moederdag een tekening van mijn dochter van mam, je bent heel lief en je zorgt voor me maar, je bent zo vaak weg.
En dat terwijl ik minder ben gaan werken.
(Bea, 39 jaar, gehuwd, vier kinderen, deeltijdfunctie voor 24 uur, projectadviseur/-leider)
|
Uit de interviews blijkt dat deze respondenten met kinderen op één na, allemaal verantwoordelijk zijn gebleven voor het gezin, ondanks hun werkzaamheden buitenshuis.
De partners van de vrouwen helpen wel mee met de verzorging en de huishouding, maar de vrouwen blijven verantwoordelijk.
Daardoor heeft geen van de respondenten (op één uitzondering na) zich naast het moederschap volledig op haar carrière kunnen richten.
Zij hebben hun ambities bij moeten stellen en/of zijn in deeltijd gaan werken omwille van het gezin.
|
Toen ik zwanger was heb ik gezegd: “René (directeur) denk er aan, als ik terug kom van mijn zwangerschap, wil ik vier dagen gaan werken en dan ook echt vier dagen.
Dus je zult niet meer zestig uur op me kunnen rekenen.
Ik zal regelmatig het pand om half zes moeten verlaten om op tijd op de crèche te kunnen zijn, dat is punt één.
Daar moet je dan maar aan wennen.
En punt twee: ik ga ouderschapsverlof opnemen.
Dan werk ik nog vier dagen”.
Hij riep uit: “Nee! Dat kan niet!”
Nou, dat kan dus wel en daar is hij uiteindelijk overheen gestapt.
(Cora, 45 jaar, gehuwd, 1 kind, deeltijdfunctie voor 32 uur, directeur/eigenaar)
|
Om naast het moederschap arbeid buitenshuis te kunnen verrichten, hebben de respondenten gezocht naar een alternatief om hun afwezigheid thuis te compenseren.
Als alternatief hebben de respondenten voorzieningen als crèche en naschoolse opvang aangewend.
Op deze manier hebben de respondenten een deel van de verantwoordelijkheden voor het gezin uitbesteed, waardoor zij ruimte hebben gecreëerd om een carrière na te kunnen streven.
Er was altijd één thuis als zij (de kinderen) er waren, behalve tijdens de middagpauze.
Dan gingen ze naar de buitenschoolse opvang.
In het begin gingen ze ook nog naar de na schoolse opvang en dan ging om 18.00 uur één van ons ze afhalen.
(Gerda, 48 jaar, gehuwd, twee kinderen, voltijdfunctie, adviseur bij een landelijk werkend bureau in de gezondheidszorg en eigen praktijk)
Ik werkte toen al zes dagen en ik had inmiddels twee kindertjes.
We hadden een kindermeisje.
En je had natuurlijk ook de steun van je man nodig, want toen mijn dochter vier was ben ik weer fulltime aan de slag gegaan, dat moest ook, anders riskeerde ik mijn baan.
Toen hebben wij een kindermeisje genomen.
(Elsa, 59 jaar, gehuwd, twee kinderen, deeltijdfunctie voor 32 uur, hoofd financiële administratie)
|
Het uitbesteden van de verantwoordelijkheden voor het gezin heeft echter niet alleen iets opgeleverd, maar het heeft de respondenten ook veel gekost.
Er is de respondenten niet gevraagd wat zij hebben moeten opofferen om moederschap en carrière te kunnen combineren.
Toch vertelden een paar moeders tijdens de interviews spontaan over hun schuldgevoelens.
Doordat zij niet volledig beschikbaar zijn voor hun gezin, kunnen zij niet van alle aangelegenheden die zich binnen het gezinsleven voordoen, deel uit maken.
Deze moeders hebben schuldgevoelens ten opzichte van hun gezin, doordat zij bij bepaalde gebeurtenissen niet aanwezig kunnen zijn vanwege de verplichtingen ten opzichte van hun werkgever.
|
Waar ik wel last van heb gehad was als Maarten bijvoorbeeld zei van: “Maar mama waarom kom jij dan niet op de sportdag helpen?”.
En dan moest ik zeggen: “Dit jaar komt dat niet helemaal uit.”.
Ik ben ook wel een keer te laat gekomen bij het afzwemmen.
Op het laatste nippertje ben ik toen gaan rijden en in de file terecht gekomen...
Dat is heel erg hoor, voor jezelf is het ook zo’n afgang.
En die dingen komen voor, dat kost het je dan.
(Cora, 45 jaar, gehuwd, 1 kind, deeltijdfunctie voor 32 uur, directeur/eigenaar)
|
Om inzicht te krijgen in de oorsprong van hun carrière is de respondenten gevraagd naar de ervaringen rond hun eerste baan.
Uit de interviews is gebleken dat alle respondenten terecht zijn gekomen in organisaties die werden gedomineerd door mannen.
Het was voor de respondenten moeilijk om zich binnen zo’n mannenwereld te manifesteren.
Een aantal respondenten ervoer dat zij als vrouw niet altijd even serieus werden genomen door hun mannelijke collega’s.
Door van zich af te bijten en verstand van zaken te tonen op hun vakgebied hebben de vrouwen uiteindelijk respect afgedwongen bij hun mannelijke collega’s en werden zij wel serieus genomen.
Ik werd toen ook Lancia dealer en dan merk je dus ook heel sterk dat het een mannenwereld is.
Ik werd uitgenodigd voor een weekend om mee te gaan.
Toen zij iemand: “Oh, u bent de vrouw van?”.
Ik heb toen heel pinnig gezegd: ”Ik ben niet de vrouw van.
Ik heb gewoon zelf alle vakbekwaamheidpapieren gehaald.”.
(Elsa, 59 jaar, gehuwd, twee kinderen, deeltijdfunctie voor 32 uur, hoofd financiële administratie)
Ja, de krant was wel heel erg een mannenbolwerk, al die heren die dames aannamen, omdat ze ondermeer er zo aardig uit zagen.
(Diane, 40 jaar, ongehuwd samenwonend, geen kinderen, voltijdfunctie, redacteur landelijk dagblad)
|
In de door mannen gedomineerde organisaties was het voor de respondenten niet altijd even gemakkelijk om een plaatsje te veroveren.
Eenmaal een plaatsje veroverd, wilden zij na verloop van tijd, net als hun mannelijke collega’s, graag doorstromen naar hogere posities binnen de organisatie.
Al snel ervoeren zij dat het doorstromen naar hogere posities niet zo gemakkelijk verliep als bij hun mannelijke collega’s.
Dat het doorstromen zo moeizaam verloopt, valt volgens alle respondenten deels te verklaren door de opstelling van vrouwen.
Vrouwen stellen zich volgens hen veel te bescheiden op.
Ze twijfelen te snel aan hun eigen capaciteiten en daardoor komen zij niet in aanmerking voor hogere posities.
Vrouwen zouden volgens de respondenten hun sterke kanten meer naar voren moeten durven brengen.
Zo kunnen ze zichzelf meer ‘op de kaart te zetten’, waardoor ze mogelijk sneller voor hogere posities in aanmerking komen.
Als vrouwen solliciteren op een hoge functie, vraagt een vrouw zich af, kan ik dit wel terwijl een man zegt oh, ik ga er wel op solliciteren en dan zie ik het wel.
Dat is heel vaak het verschil tussen mannen en vrouwen.
Mannen zijn natuurlijk haantjes, die werken zich naar voren.
Mannen lopen meer in de picture.
(Elsa, 59 jaar, gehuwd, twee kinderen, deeltijdfunctie voor 32 uur, hoofd financiële administratie)
Ik denk dat vrouwen vaak te voorzichtig zijn om iets voor zichzelf te eisen en daar ben ik wel gemakkelijker in geworden.
Ik vraag het gewoon en ik zie wel waar we uitkomen.
Mannen profileren zich veel meer.
Hier ben ik, dit kan ik.
Vrouwen zijn meer van ik weet niet of ik dit kan, maar ze zijn in eerste instantie heel erg eerlijk over hun zwakke kanten dan dat positieve over hun goede kanten.
En ik heb gemerkt dat als je dat wel durft, dat het dan ook gewoon werkt, dat mensen jou zo het beste schatten, dat het heel reëel is zonder dat je hoeft op te scheppen.
(Gerda, 48 jaar, gehuwd, twee kinderen, voltijdfunctie, adviseur bij een landelijk werkend bureau in de gezondheidszorg en eigen praktijk)
|
De respondenten zijn het er allemaal over eens dat vrouwen zich te bescheiden opstellen, waardoor zij zichzelf uit de markt prijzen bij de verdeling van interessante functies.
Tijdens hun carrière hebben alle respondenten ervaren dat vrouwen zich niet alleen beter moeten profileren om voor hogere functies in aanmerking te komen, maar dat zij zich ook veel harder moeten bewijzen om door te kunnen stromen.
Zij moeten zich zelfs veel harder bewijzen dan hun mannelijke collega’s om dezelfde functie toegewezen te krijgen, zo blijkt uit de ervaringen van de respondenten.
|
Maar het was ook dat ik er heel vaak tegen aan liep dat ik vond dat vrouwen zich twee maal zo hard moesten bewijzen als mannen om dezelfde positie of functie te krijgen.
En dat vond ik zo oneerlijk.
Het werd voor mij bijna een sport om te bewijzen dat ik dat ook allemaal wel kon.
Dat ik daar ook wel kon komen.
(Cora, 45 jaar, gehuwd, 1 kind, deeltijdfunctie voor 32 uur, directeur/eigenaar)
|
Zowel de respondenten met als zonder kinderen vernamen zeer uiteenlopende reacties op het nastreven van een carrière, van zeer positief tot zeer negatief.
De vrouwen zonder kinderen kregen veel meer positieve dan negatieve reacties uit de omgeving en bij de vrouwen met kinderen gebeurde het omgekeerde.
Hieruit blijkt dat de combinatie van moederschap en carrière nog steeds niet geaccepteerd wordt door de omgeving.
Maar via via hoor ik dan wel dat andere moeders vinden dan moet je maar voor je kinderen kiezen, die mensen willen alles, en kinderen en werk.
En ze kunnen niet kiezen, daardoor doen ze teveel een beroep op anderen.
En dat hebben wij dus per definitie nooit gedaan.
(Gerda, 48 jaar, gehuwd, twee kinderen, voltijdfunctie, adviseur bij een landelijk werkend bureau in de gezondheidszorg en eigen praktijk)
Iedereen op het schoolplein ziet mij echt, nou ja niet iedereen, maar zo voel ik dat, misschien is het zo niet, maar ik heb het gevoel dat men toch denkt, god wat moet die allemaal zo nodig.
Ik voel dat als een beschuldiging.
(Bea, 39 jaar, gehuwd, vier kinderen, deeltijdfunctie voor 24 uur, projectadviseur/-leider)
|
De respondenten met kinderen zijn echter nooit rechtstreeks geconfronteerd met de negatieve reacties uit de omgeving, maar altijd via een omweg.
Het werd de vrouwen vooral verweten dat ze niet volledig voor hun kinderen hebben gekozen.
De verhalen van de respondenten over de obstakels die zij in hun carrièrepad zijn tegen gekomen vertonen sterke overeenkomsten.
Deze overeenkomsten zijn te verklaren door de vergelijkbare situatie waarin de respondenten allemaal terecht zijn gekomen in de beginfase van hun carrière.
Als geschoolde vrouwen met de ambitie om een carrière na te streven zijn zij terecht gekomen in door mannen gedomineerde organisaties.
De ervaringen die zij tijdens de beginperiode van hun carrière hebben opgedaan zijn ondanks de leeftijdsverschillen vergelijkbaar.
Daaruit valt op te maken dat er binnen de arbeidsorganisaties weinig is veranderd in vergelijking tot een aantal jaren daarvoor.
^ Top
HET VROUWENNETWERK
Om inzicht te krijgen in de relatie tussen deelname aan een vrouwennetwerk en het carrièreverloop van vrouwen is gekeken hoe de belemmeringen zich verhouden tot deelname aan een vrouwennetwerk.
Om hier inzicht in te verkrijgen zijn aan de respondenten tijdens de diepte-interviews vragen gesteld over hun deelname aan netwerken.
Uit de interviews blijkt dat alle respondenten binnen de arbeidsorganisaties al snel in contact waren gekomen met een organisatienetwerk.
In de door mannen gedomineerde organisaties waarin de respondenten werkzaam waren, werden de organisatienetwerken ook door mannen gedomineerd.
De helft van de respondenten is het niet gelukt om zich binnen deze mannennetwerken te manifesteren.
Deze respondenten zijn al snel tot het besluit gekomen dat zij niet langer wilden deelnemen aan zo’n door mannen gedomineerd netwerk.
Die mannenwereld was een soort netwerk, waarvan ik buitengesloten was.
Het waren niet per se mannen in dat netwerk, maar je moest wel een bepaalde stijl hebben, een blauw mantelpakje en vooral doen wat de baas zegt en je moet je ook altijd van die grapjes laten welgevallen.
(Bea, 39 jaar, gehuwd, vier kinderen, deeltijdfunctie voor 24 uur, projectadviseur/-leider)
Ik heb ook het netwerk in Den Haag geprobeerd toen ik daar werkte, maar dat is echt vreselijk.
Daar voelde ik me gewoon heel erg bekeken en gekeurd, zo van wat kom jij hier doen.
(Cora, 45 jaar, gehuwd, 1 kind, deeltijdfunctie voor 32 uur, directeur/eigenaar)
De netwerken waar ik via mijn werk in zat waren gemengd.
Daar zaten vaak wel van die mannen tussen met heel veel poeha, die zagen jou dan niet staan.
Ontzettend haantjesgedrag.
Ik voelde me er altijd heel ongemakkelijk bij, zo van ik moet jou niet en daar weet ik nooit goed op te reageren.
(Femke, 51 jaar, gehuwd, geen kinderen, deeltijdfunctie voor 32 uur, hoofd topografisch historische atlas)
|
Ook al lukte het een aantal respondenten om zich te manifesteren in een door mannen gedomineerd netwerk, toch hebben zij zich allemaal op een gegeven moment aangesloten bij het VrouwenNetwerk Rijnstreek.
Aan de respondenten is gevraag op welk moment zij in hun carrière lid zijn geworden van het vrouwennetwerk.
Eén respondent heeft zich bij het vrouwennetwerk aangesloten op het moment dat zij moeder werd.
Zij anticipeerde daarmee op de moeilijkheden die zij op haar carrièrepad nog zou tegenkomen, vanwege de combinatie van moederschap en carrière.
Uit de interviews is naar voren gekomen dat de redenen om deel te nemen aan het vrouwennetwerk niet zo ver uiteen lopen.
De respondenten gaven allemaal aan dat de steun van vrouwen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, de belangrijkste reden was om zich bij het vrouwennetwerk aan te melden.
De verwachtingen die de respondenten hadden ten aanzien van het netwerk waren met name de ervaringen die de leden uit konden wisselen, om zo elkaar voor te kunnen bereiden op moeilijke situaties waarmee vrouwen geconfronteerd zouden kunnen worden tijdens het nastreven van hun carrière.
Deelname aan het vrouwennetwerk heeft indirect een positieve invloed gehad op het carrièreverloop van vrouwen, maar geen enkele respondent heeft zich bij een vrouwennetwerk aangesloten om er een functie aan over te houden.
|
Het netwerk heeft niet direct voor mijn carrière een belangrijke rol gespeeld, maar wel heel sterk voor mijn persoonlijke ontwikkeling.
(Femke, 51 jaar, gehuwd, geen kinderen, deeltijdfunctie voor 32 uur, hoofd topografisch historische atlas)
|
De respondenten hebben de deelname aan een vrouwennetwerk ervaren als een manier om zich te ontwikkelen.
Deze ontwikkeling heeft een positieve uitwerking op het carrièreverloop van vrouwen.
Zo draagt het vrouwennetwerk indirect bij aan de carrièrekansen van vrouwen.
Toch kan het netwerk ook direct een positieve invloed hebben op het carrièreverloop.
Deze rol werd van het vrouwennetwerk niet verwacht, dat hoorde in hun beleving meer thuis in de door mannen gedomineerde netwerken dan in een vrouwennetwerk.
Toch leverde deelname aan het vrouwennetwerk voor een aantal respondenten een tastbaar voordeel op.
|
Toen heb ik besloten: ik ga hier niet meer op wachten, ik ga hier weg.
Toen werd ik gebeld door iemand uit het vrouwennetwerk van: “Joh, een vriend van mij werkt bij een transportbedrijf en die zoekt iemand voor personeel en organisatie, is dat niets voor jou?”.
Ik riep meteen: “Nou!! Vertel!!”.
“Het is wel in Oss...”
Dus een praatje daar en nu zit ik dus in Oss.
(Hilde, 33 jaar, ongehuwd samenwonend, geen kinderen, voltijdfunctie, manager human resources)
|
Er is aan de respondenten gevraagd welke reacties zij hebben gekregen vanuit hun omgeving over hun deelname aan een vrouwennetwerk.
Uit de interviews blijkt dat er door de omgeving niet altijd even leuk werd gereageerd, wanneer de respondenten vertelden over hun deelname aan een vrouwennetwerk.
Door deze negatieve ervaringen, vertelt bijna geen enkele respondent aan haar omgeving over het vrouwennetwerk.
Er is de respondenten ook gevraagd naar het beeld dat de omgeving van vrouwennetwerken heeft.
Zij ervoeren dat de vrouwennetwerken enerzijds in de feministische hoek werden geplaatst en anderzijds juist in de huisvrouwen hoek.
Ook het feit dat mannen uitgesloten zijn van deelname, wekte in de omgeving veel weerstand op.
Waar mannenclubs volledig zijn geaccepteerd, rust op deelname aan een vrouwennetwerk nog een groot taboe.
De omgeving heeft toch het beeld van de vrouwen met de roodgeverfde haren en bh’s verbranden en zo.
We zijn toch heel anders. Maar we zijn ook geen theekransje, terwijl we dat ook heel erg goed kunnen, we willen vooral elkaar helpen.
(Hilde, 33 jaar, ongehuwd samenwonend, geen kinderen, voltijdfunctie, manager human resources)
Je moet echt heel goed uitleggen wat het is want anders wordt het onmiddellijk in een theekransnetwerk gedouwd of in de elitaire hoek, of in de rijke vrouwen hoek, maar dat is het allemaal niet.
Ik heb ook eens bijna slaande ruzie gehad met een partner van een vriendin, die het belachelijk vond dat het alleen maar uit vrouwen bestond, nou en kijk eens in je eigen omgeving.
Bij jouw volleybalclub zitten ook geen vrouwen. En veel vooroordelen!
Een old boys network alleen voor mannen is volstrekt normaal, maar een vrouwennetwerk dus echt niet.
(Diane, 40 jaar, ongehuwd samenwonend, geen kinderen, voltijdfunctie, redacteur landelijk dagblad)
|
De respondenten hebben zich bij het vrouwennetwerk aangesloten omdat zij behoefte hadden aan steun.
Steun van vrouwen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden.
Vrouwennetwerken beschikken over leden met ervaring op het gebied van carrière maken.
Deze ervaringen zijn voor de leden zeer waardevol en kunnen de carrièrekansen van vrouwen indirect vergroot worden door deelname aan een vrouwennetwerk.
Het vrouwennetwerk kan ook een direct voordeel bieden, zo blijkt uit de interviews.
Toch ligt de kracht van het vrouwennetwerk vooral in bieden van steun en het uitwisselen van ervaringen.
Uit het praktijkonderzoek blijkt dat belemmeringen zich blijven voordoen in het carrièrepad van de respondenten, ondanks hun deelname aan een vrouwennetwerk.
Factoren als de traditionele rolverdeling, de dubbele belasting en het rolconflict worden door de respondenten omschreven als belemmeringen in hun carrièrepad, maar ondanks deze belemmeringen zijn de respondenten wel doorgestroomd naar hogere posities.
Uit het praktijkonderzoek blijkt dat de belemmeringen niet worden weggenomen door deelname aan een vrouwennetwerk, maar dat door deelname aan een vrouwennetwerk de belemmeringen kunnen worden weerstaan, zodat de kans om door te stromen naar hogere posities wordt vergroot.
^ Top
5. DE LITERATUURBESCHRIJVING EN DE LEVENSBESCHRIJVING
In dit hoofdstuk worden de bevindingen uit het theoretisch kader vergeleken met de resultaten uit het praktijkonderzoek.
In de eerste paragraaf van dit hoofdstuk wordt gekeken in hoeverre de bevindingen met betrekking tot het carrièreverloop van vrouwen uit de theorie overeenkomen met de resultaten rond het carrièreverloop van vrouwen uit de praktijk.
In de tweede paragraaf van dit hoofdstuk is de rol van vrouwennetwerken die uit de theorie naar voren is gekomen vergeleken met de rol van vrouwennetwerken die in de praktijk is gebleken.
^ Top
5.1 HET CARRIÈPAD
De belemmeringen die in de literatuurstudie behandeld zijn, zijn verdeeld naar belemmeringen aan de aanbodzijde en aan de vraagzijde.
In deze paragraaf zal hetzelfde onderscheid worden gehanteerd.
^ Top
DE AANBODZIJDE
Uit het praktijkonderzoek is gebleken dat de traditionele rolverdeling tussen mannen en vrouwen, zoals in de literatuur beschreven, nog steeds van toepassing is.
Onterecht wordt het biologische gegeven dat vrouwen kinderen kunnen baren en zogen doorgetrokken naar een sociaal-cultureel geconstrueerde gezinsrol, waarin de vrouw verantwoordelijk is voor het gezin en het huishouden.
Vrouwen voldoen aan de verwachtingen die de gezinsrol met zich meebrengt, waardoor om betaalde arbeid buitenshuis te verrichten en toch te voldoen aan de verwachtingen ten aanzien van het gezin.
Alle respondenten hebben een carrière nagestreefd, al dan niet in combinatie met het moederschap.
Toch wordt de gezinsrol nog vaak door vrouwen vervuld.
Dit betekent dat vrouwen in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het gezin.
Op de tweede plaats komt de betaalde arbeid buitenshuis.
Dat komt overeen met de resultaten uit het praktijkonderzoek, waaruit blijkt dat er verwacht wordt van vrouwen dat hun prioriteit bij het gezin ligt en niet bij hun werkzaamheden buitenshuis.
|
Met een vanzelfsprekendheid denkt men van het is leuk dat je een goede baan hebt, maar dat komt pas op de tweede plaats.
Je moet toch je kinderen op de eerste plaats zetten.
En als je goed verdient is het ook leuk, maar daar mag het je eigenlijk niet om gaan.
Terwijl dat voor een man zo vanzelfsprekend is.
Die hoeven absoluut niet hun carrière te onderbreken voor kinderen.
(Gerda, 48 jaar, gehuwd, twee kinderen, voltijdfunctie, adviseur bij een landelijk werkend bureau in de gezondheidszorg en eigen praktijk)
|
Ondanks het traditionele rolpatroon zijn de respondenten wel doorgestroomd naar hogere posities.
De belemmerende werking van het traditionele rolpatroon hebben de respondenten blijkbaar kunnen weerstaan, zodat zij toch konden doorstromen.
Uit het praktijkonderzoek blijkt dat de respondenten met kinderen op één na, allemaal verantwoordelijk zijn gebleven voor het gezin, ondanks hun betaalde werkzaamheden buitenshuis.
De respondenten hebben gezocht naar een alternatief om hun afwezigheid te compenseren, zodat zij arbeid buitenshuis kunnen verrichten.
Als alternatief hebben de respondenten gebruik gemaakt van voorzieningen als crèche en naschoolse opvang.
Zo hebben zij een deel van de taken die de gezinsrol met zich meebrengt uit kunnen besteden.
Ondanks het deels uitbesteden van de verantwoordelijkheden voor het gezin bleek uit de interviews dat geen van de respondenten (op één uitzondering na) zich volledig op haar carrière heeft kunnen richten.
Zij hebben hun ambities bij moeten stellen en/of zijn in deeltijd gaan werken omwille van het gezin.
|
Ik ben dan op een gegeven moment getrouwd en kreeg kinderen en dan ga je toch ook andere keuzes maken en wat betekent dat dan voor je carrière.
We deden eerst alles samen, maar mijn man heeft ander werk gekregen en daarom ben ik drie dagen gaan werken.
Ik had ook best meer en hoger gekund, maar niet in combinatie met vier kinderen.
(Bea, 39 jaar, gehuwd, vier kinderen, deeltijdfunctie voor 24 uur, projectadviseur/-leider)
|
Uit de literatuur blijkt dat een deeltijdfunctie funest is voor het carrièreverloop.
Toch blijkt dat de respondenten ondanks hun deeltijdbaan een hogere positie hebben bereikt.
De respondenten die een functie in deeltijd bekleden, hebben echter wel gekozen voor een ‘grote’ deeltijdfunctie van zo’n 32 uur per week.
Hierdoor zijn de consequenties voor het carrièreverloop beperkt gebleven.
Dubbele belasting
Zoals gezegd zijn vrouwen die betaalde arbeid buitenshuis verrichten verantwoordelijk voor de gezinsrol.
Ook al is het tegenwoordig meer geoorloofd om buitenshuis te werken, toch blijft de gezinsrol de verantwoordelijkheid van de vrouw.
Dus de arbeid die zij buitenshuis verrichten komt bovenop de arbeid die de gezinsrol met zich meebrengt.
De respondenten worden bijna allemaal geconfronteerd met een dubbele belasting.
Een deel van de werkzaamheden die de gezinsrol met zich meebrengt, kunnen zij uitbesteden doordat ze gebruik maken van voorzieningen.
Zo wordt er ruimte gecreëerd om een carrière na te streven.
We besteden eigenlijk zoveel mogelijk uit en in de praktijk proberen we wat er dan nog overblijft wel een beetje te verdelen, waarin ik vind dat de balans wel een beetje naar mijn kant doorslaat, maar hij vind dat het wel meevalt.
Maar ik organiseer het allemaal, ik neem al geen hond omdat ik het niet georganiseerd krijg.
(Hilde, 33 jaar, ongehuwd samenwonend, geen kinderen, voltijdfunctie, manager human resources)
Mijn standaard antwoord is, wij doen alles samen, maar in feite is dat natuurlijk niet zo.
Ik vind mezelf de grote organisator, ik ben er niet altijd en mijn man is daarentegen heel veel thuis, die werkt in principe maar tien uur buitenshuis, maar ik ben wel degene die zorgt dat de boodschappen georganiseerd worden, ik doe niet alles zelf, maar ik zorg wel dat als ik weg ga er allemaal oppassen geregeld zijn, maar ik ben dus wel de thuismanager.
(Anne, 37 jaar, gehuwd, drie kinderen, voltijdfunctie, directeur/eigenaar)
|
Deze dubbele belasting blijkt een belemmering te zijn voor de respondenten.
Hoe meer tijd zij in hun carrière steken, hoe minder tijd zij over houden om thuis werkzaamheden te verrichten en des te zwaarder worden zij belast.
Dat zou tot gevolg kunnen hebben dat veel respondenten minder tijd in hun carrière kunnen steken, waardoor hogere posities onbereikbaar blijven.
Toch hebben de respondenten ondanks deze belemmering hogere posities bereikt, doordat zij ervoor gekozen hebben om een deel van de werkzaamheden uit te besteden.
Rolconflict
De dubbele belasting waarmee vrouwen geconfronteerd worden levert volgens de theorie een rolconflict op.
Dit rolconflict komt voort uit de verantwoordelijkheid voor het gezin en de wens om buitenshuis betaalde arbeid te verrichten.
In de praktijk blijkt dat de respondenten met kinderen geconfronteerd worden met het rolconflict, doordat zij zich richten op een carrière en dat willen combineren met het moederschap.
Daardoor kunnen zij niet volledig voldoen aan de verwachtingen ten aanzien van hun gezin.
|
En dat is elke keer dat dilemma van, nou vandaag bijvoorbeeld hadden ze schoolreisje.
Had ik nou mee gemoeten ja of nee?
Had ik moeten uitzwaaien of niet?
Moet ik op straat bij die bus zijn of niet?
(Bea, 39 jaar, gehuwd, vier kinderen, deeltijdfunctie voor 24 uur, projectadviseur/-leider)
|
Dit verklaart waarom een bijna alle respondenten met kinderen hun ambities hebben bijgesteld en in deeltijd zijn gaan werken.
Door het rolconflict waarin vrouwen verzeild raken, wanneer zij moederschap met een carrière willen combineren, dwingt hen om genoegen te nemen een deeltijdbaan en dan nog moeten zij accepteren dat zij niet volledig aan de verwachtingen kunnen voldoen.
In-uitpatroon
Het in-uitpatroon van vrouwen op de arbeidsmarkt bestaat, zo blijkt uit de theorie, uit het verlaten van de arbeidsmarkt in verband met de zorg voor het gezin.
De betaalde arbeid buitenshuis wordt tijdelijk verruild voor onbetaalde arbeid binnenshuis.
Het carrièreverloop wordt sterk beïnvloed door deze tijdelijke afwezigheid.
Ook in de praktijk blijkt dat het in-uitpatroon van invloed is op het carrièreverloop van vrouwen.
Werkende vrouwen met kinderen willen vaak na een periode thuis te zijn geweest in verband met de verzorging van kinderen, weer terug keren naar de arbeidsmarkt.
Dat blijkt niet altijd even gemakkelijk te zijn, zelfs bij een relatief korte afwezigheid als een zwangerschapsverlof.
|
Ik heb die hele reorganisatie mee voorbereid, ik ben er uit gegaan om te bevallen en kwam drie en een halve maand later weer terug en toen had alles zich weer gesetteld in de nieuwe situatie en toen moest ik er weer tussen komen.
En dat vond ik heel erg moeilijk.
Bij die directeur waren inmiddels een aantal andere mensen gekomen die zoiets hadden van nu zit ik lekker dicht tegen de directeur aan.
Die hadden daar heel veel moeite mee en ik heb dat echt heel vervelend gevonden.
Ik kan me voorstellen dat vrouwen na zo’n zwangerschap niet meer goed terug kunnen komen.
(Cora, 45 jaar, gehuwd, 1 kind, deeltijdfunctie voor 32 uur, directeur/eigenaar)
|
Doordat vrouwen tijdelijk afwezig zijn in verband met de zorg voor het gezin, nemen anderen hun plaatsje in.
Zij moeten de kracht vinden om zich weer opnieuw profileren om voor hogere functies in aanmerking te komen.
^ Top
DE VRAAGZIJDE
Uit de literatuurstudie komt naar voren dat de vraagzijde bestaat uit arbeidsorganisaties waarbinnen zich de volgende belemmeringen voordoen: beeldvorming, dead end jobs en het senioriteitsprincipe.
Beeldvorming
Uit het theoretisch kader kwamen drie aspecten van beeldvorming naar voren, namelijk seksestereotypering, de macht van de vanzelfsprekendheid en de macht van de dubbele moraal.
Deze drie aspecten hangen nauw met elkaar samen.
Als men een waarheid baseert op een seksestereotypering, wordt dat beeld van vrouwen vervolgens als vanzelfsprekend ervaren.
Bij de macht van de dubbele moraal worden de verschillen tussen vrouwen en mannen systematisch waargenomen.
De bestaande asymmetrische verhoudingen tussen seksen worden bevestigd, doordat verschillen steeds opnieuw worden waargenomen.
Naderhand dient de stereotypering weer als basis voor het vormen van een werkelijkheid over vrouwen.
Op deze wijze blijft de vicieuze cirkel bestaan en vormt de beeldvorming zo’n sterke belemmering dat vrouwen daar niet of nauwelijks door heen kunnen breken.
En als vrouwen daar door heen weten te breken, worden ze gezien als een uitzondering die de regel bevestigt.
In het praktijkonderzoek zijn de drie aspecten van beeldvorming niet afzonderlijk onderzocht.
Er is tijdens de diepte-interviews wel gevraagd naar de ervaringen van de respondenten met betrekking tot de beeldvorming in het algemeen.
Daaruit is gebleken dat beeldvorming rond vrouwen vaak negatief uitpakt.
Zo bleek uit een aantal interviews dat er vanuit wordt gegaan dat de zwaardere functies aan mannen toebehoren en de lichtere functies aan vrouwen.
|
Wat betreft mijn ondernemingen is het beeld per definitie dat mijn man de kar trekt, ze denken op die netwerken van hem allemaal dat hij de kar trekt en dat laat ik ook een beetje zo.
Wie ben ik om dat te doorbreken, hij vaart daar wel bij en ik indirect dus ook, maar als ik dus ergens kom bijvoorbeeld, bijvoorbeeld op zo’n bedrijvendag, dan zegt zo’n vrouw bijvoorbeeld: ‘oh leuk, je bent ook met je man mee?’
(Anne, 37 jaar, gehuwd, drie kinderen, voltijdfunctie, directeur/eigenaar)
|
Het geeft aan hoe er binnen organisaties gedacht wordt over de capaciteiten van mannen en van vrouwen.
Deze beeldvorming maakt het voor vrouwen erg moeilijk om hogere posities te bereiken.
Veel respondenten hebben de keus gemaakt om uit een omgeving te stappen, waarin zoveel negatieve beeldvorming ten opzichte van vrouwen heerst.
Door deze stap te maken hebben zij hun carrièrekansen vergroot.
Dead end jobs
Uit het theoretisch kader bleek dat er functies zijn met een gunstige gelegenheidsstructuur en functies met een ongunstige gelegenheidsstructuur.
Deze laatste categorie functies zijn vaak functies, waaruit het (bijna) onmogelijk is om door te stromen naar hogere posities.
Onder deze categorie vallen vooral de typisch vrouwenberoepen.
Uit de theorie blijkt dat vrouwenberoepen vaak uit verplegende, verzorgende en administratieve functies en banen in het onderwijs bestaan.
Uit de waarnemingsresultaten is gebleken dat twee respondenten in eerste instantie werkzaam waren in een dead end job.
Op een gegeven moment zijn zij zich daar van bewust geworden en hebben zij besloten hun baan op te zeggen om te gaan studeren ten einde hun carrièrekansen te vergroten.
|
Op een gegeven moment ben je uit gecursusd en toen zag ik één van de artsen waar ik toen voor werkte, die was aan de universiteit verbonden.
Toen zag ik een folder over nieuwe opleidingen in de gezondheidswetenschappen en toen dacht ik dat zou een mooie aansluiting zijn.
(Gerda, 48 jaar, gehuwd, twee kinderen, voltijdfunctie, adviseur bij een landelijk werkend bureau in de gezondheidszorg en eigen praktijk)
|
Om hun carrièrekansen te vergroten hebben de respondenten zich los gemaakt uit de dead end jobs.
Door middel van scholing hebben zij hun carrièreperspectieven kunnen vergroten en zijn zo in functies terecht te komen met een meer gunstige gelegenheidstructuur.
Senioriteitprincipe
Bij het senioriteitprincipe komen medewerkers met een lang en aaneengesloten dienstverband in aanmerking voor bevorderingen naar hogere posities binnen de arbeidsorganisatie.
Doordat vrouwen volgens het in-uitpatroon betaalde arbeid tijdelijk verruilen voor onbetaalde arbeid, kunnen zij volgens het senioriteitprincipe niet doorstromen naar hogere functies.
Dit principe kan echter niet ondersteund worden met voorbeelden uit de praktijk.
Mogelijk hangt dat samen met de leeftijd van de respondenten.
Zij hebben nog niet allemaal een leeftijd bereikt waarop dit verschijnsel zich voordoet.
De respondenten die mogelijk wel de leeftijd hebben bereikt om hiermee geconfronteerd te worden, hebben een eigen onderneming (gehad) en op hen is het senioriteitsprincipe niet van toepassing.
^ Top
5.2 DEELNAME AAN EEN VROUWENNETWERK
Binnen organisaties bestaan vaak netwerken die gedomineerd worden door mannen.
Deze netwerken vormen een grote bron van informatie.
Over deze informatie beschikken vrouwen niet, omdat zij niet kunnen of willen deelnemen aan deze netwerken.
Om toch de noodzakelijke informatie te verkrijgen kunnen zij deelnemen aan een alternatief netwerk, zoals het vrouwennetwerk.
Uit de praktijk is gebleken dat de respondenten zich er niet goed bij voelen om op een mannelijke manier te netwerken.
De respondenten hadden vaak moeite met het inzetten van vriendschappen om betere arbeidsposities te verkrijgen.
De respondenten maken niet zo gemakkelijk een koppeling tussen netwerkcontacten en arbeidsmarktgedrag als mannen dat doen.
|
Ik moet toch zeggen dat ik het heel lang heel moeilijk heb gevonden, dat netwerken.
Ik zag het anders.
Ik zag het als kruiwagens, met zo’n beeld ben ik ook opgevoed.
En ik denk ook wel eens van goh, ik wou dat mijn vader mij had opgevoed, want die had veel bestuursfuncties dus die deed dat wel.
(Femke, 51 jaar, gehuwd, geen kinderen, deeltijdfunctie voor 32 uur, hoofd topografisch historische atlas)
|
Het is voor vrouwen die een carrière na willen streven van belang om deel te nemen aan een alternatief netwerk, zoals het vrouwennetwerk.
Een vrouwennetwerk kan op verschillende manieren de arbeidspositie van vrouwen ondersteunen.
Een vrouwennetwerk is geen bron van informatie binnen een organisatie voor de organisatieleden.
Een vrouwennetwerk bestaat uit vrouwen die afkomstig zijn uit allerlei verschillende organisaties.
De steun die het vrouwennetwerk te bieden heeft, geeft vrouwen de kracht om door te stromen naar hogere posities.
Het vrouwennetwerk is daardoor indirect van belang voor het carrièreverloop van vrouwen.
Uit de literatuurstudie blijkt dat het vrouwennetwerk wordt gekenmerkt door het elkaar ondersteunen als gelijkgestemden in een gelijksoortige situatie.
De steun die vrouwen elkaar kunnen bieden kan uit veel meer bestaan dan uit tips en suggesties die direct met carrièrekansen te maken hebben.
Uit het praktijkonderzoek blijkt dat binnen een vrouwennetwerk vrouwen steun bij elkaar zoeken, omdat ze zich in een vergelijkbare situatie bevinden.
|
Ik vind bij het netwerk ook emotionele steun.
Je hebt gewoon dingen waar je niet uitkomt en daar heb je gewoon hulp bij nodig en zeker bij dit netwerk, daar wordt gewoon heel open over gepraat.
Het is gewoon heel erg prettig dat er mensen om je heen zijn die dat al eens hebben meegemaakt.
En zij kunnen je daarover heel goede tips geven.
Je hoeft niet steeds opnieuw het wiel uit te vinden en het geeft ook gewoon heel veel steun als je hoort dat andere mensen dat ook al hebben gehad en daar ook doorheen zijn gekomen.
(Hilde, 33 jaar, ongehuwd samenwonend, geen kinderen, voltijdfunctie, manager human resources)
|
Natuurlijk kunnen vrouwen ook steun ontvangen van familie, vrienden en collega’s, maar lidmaatschap bij een vrouwennetwerk biedt veel meer.
De leden van het vrouwennetwerk worden met vergelijkbare belemmeringen geconfronteerd.
Deze vrouwen kunnen zich met elkaar identificeren en dat geeft de meerwaarde aan het vrouwennetwerk.
Daarnaast kunnen zij elkaar vertrouwen geven om bepaalde hindernissen te nemen.
Het vrouwennetwerk dient zo als een collectieve krachtbron waaruit vrouwen kunnen putten om belemmeringen te weerstaan en een carrière na te streven.
Door deelname aan een vrouwennetwerk kunnen echter niet alle belemmeringen worden weerstaan.
Op de belemmeringen die zich voordoen aan de vraagzijde zoals de beeldvorming, dead end jobs en het senioriteitsprincipe heeft deelname aan een vrouwennetwerk geen invloed.
^ Top
6. DE TERUGBLIK
In dit hoofdstuk wordt het onderzoek samengevat, zodat in een relatief kort tijdsbestek inzicht wordt verschaft in de relatie tussen deelname aan een vrouwennetwerk en het carrièreverloop van vrouwen.
Tevens wordt in dit hoofdstuk de centrale vraagstelling van het onderzoek beantwoord en zal het antwoord op deze vraag worden ondersteund worden met conclusies.
In de laatste paragraaf van dit hoofdstuk is een reflectie opgenomen waarin ik terugkijk op dit onderzoek en naar mijn eigen rol als onderzoeker.
Daarnaast zal er in deze paragraaf ruimte zijn voor discussie.
^ Top
6.1 DE SAMENVATTING
Vrouwen bevinden zich op de arbeidsmarkt nog steeds in een achterstandspositie.
Ondanks de toename van vrouwelijke medewerkers binnen arbeidsorganisaties de afgelopen jaren, blijft het aantal vrouwen dat doorstroomt naar een hogere positie behoorlijk achter.
Dat vrouwen nauwelijks doorstromen naar hogere posities heeft te maken met de belemmeringen die zich voordoen in het carrièrepad van vrouwen.
De auteurs die deze belemmeringen hebben onderzocht, besteden veel aandacht aan de historische context.
De ontwikkelingen die de samenleving heeft doorgemaakt, heeft geleid tot een historisch gegroeide tegenstelling tussen het private en het publieke leven, waarin aan vrouwen de gezinsrol is toegewezen en mannen verantwoordelijk worden gehouden voor de inkomsten.
Tot op heden kunnen vrouwen zich nauwelijks losmaken van de verantwoordelijkheden die de gezinsrol waardoor zij zich niet volledig kunnen richten op het nastreven van een carrière.
De traditionele weg naar hogere posities blijkt voor veel vrouwen een keuze tussen een conflict met de buitenwereld of een conflict met zichzelf te zijn.
Als vrouwen aan de verwachtingen ten aanzien van de gezinsrol willen beantwoorden, is het nauwelijks mogelijk om buitenhuis betaalde arbeid te verrichten.
En als deze vrouwen deelnemen aan betaalde arbeid buitenshuis, kunnen zij nauwelijks voldoen aan de verwachtingen ten aanzien van het gezin.
Dit resulteert vaak in een beetje werken en een beetje gezin.
Dus belanden vrouwen vaak in een deeltijdbaan en in een vrouwenberoep als een compromis tussen het publieke leven en het private leven.
Het publieke leven van vrouwen wordt belemmerd door het private leven en dat is zichtbaar in de arbeidsmarktpositie van vrouwen.
Op het carrièrepad van vrouwen doen zich belemmeringen voor die te onderscheiden zijn naar belemmeringen aan de aanbodzijde: vrouwen voor wie de carrièrekansen afhankelijk zijn van de invloed van de belemmerende factoren uit de omgeving.
En naar belemmeringen aan de vraagzijde: arbeidsorganisaties waarbinnen zich belemmeringen voordoen die ook een grote invloed hebben op de carrièrekansen van vrouwen.
Uit het praktijkonderzoek blijkt dat door deelname aan een vrouwennetwerk de belemmeringen in het carrièrepad van vrouwen niet weggenomen kunnen worden, aangezien de respondenten met deze belemmeringen werden geconfronteerd gedurende het nastreven van een carrière.
Ondanks de confrontatie met deze belemmeringen hebben alle respondenten een carrière nagestreefd, waarin zij zijn door gestroomd naar hogere posities.
De belemmeringen deden zich blijkbaar wel voor in hun carrièrepad, maar niet dusdanig dat zij niet door konden stromen.
De deelname aan het vrouwennetwerk heeft voor de respondenten uitsluitend een gunstige uitwerking gehad op de belemmeringen die zich aan de aanbodzijde voordoen.
De belemmeringen die zich daarentegen aan de vraagzijde voordoen kunnen niet worden weerstaan door deelname aan een vrouwennetwerk.
Met deze belemmeringen blijven de respondenten geconfronteerd worden, ondanks hun deelname aan een vrouwennetwerk.
^ Top
6.2 DE CONCLUSIE
Het doel van deze scriptie is om inzicht te verschaffen in de relatie tussen deelname aan een vrouwennetwerk en het carrièreverloop van vrouwen.
Daartoe is een literatuurstudie gehouden naar welke belemmeringen zich voordoen in het carrièreverloop van vrouwen en naar welke belemmeringen door deelname aan een vrouwennetwerken weggenomen kunnen worden.
Het inzicht in deze onderwerpen heeft als basis gediend voor het praktijkonderzoek.
Voor het praktijkonderzoek zijn diepte-interviews gehouden en tijdens de gesprekken zijn de belemmeringen in het carrièrepad en deelname aan het vrouwennetwerk uitgediept.
Op basis van het praktijkonderzoek kan de centrale vraag beantwoord worden.
De centrale vraag luidt als volgt:
|
Welke belemmeringen doen zich voor in het carrièreverloop van vrouwen en welke belemmeringen kan deelname aan een vrouwennetwerk wegnemen?
|
De belemmeringen die zich op het carrièrepad van vrouwen voordoen zijn onder te verdelen naar belemmeringen aan aanbodzijde: de traditionele rolverdeling, scholing, dubbele belasting, rolconflict, deeltijd, levensloopbaan en het in-uitpatroon en naar belemmeringen aan vraagzijde: beeldvorming, dead end jobs en het senioriteitsprincipe.
Uit het onderzoek blijkt dat alle vrouwen ondanks hun deelname aan het vrouwennetwerk nog steeds geconfronteerd worden met deze belemmeringen, maar toch hebben alle respondenten hogere posities kunnen bereiken.
Door deelname aan een vrouwennetwerk kunnen zij de belemmeringen weerstaan, waardoor zij hun carrièrekansen kunnen vergroten.
Dat geldt echter niet voor alle belemmeringen.
De kracht van de belemmeringen die zich aan de vraagzijde voordoen kan niet worden weerstaan door de deelname aan een vrouwennetwerk.
Deze belemmeringen blijven het vrouwen bemoeilijken om door te stromen naar hogere posities.
De relatie tussen deelname aan een vrouwennetwerk en het carrièreverloop van vrouwen bestaat uit de kracht die het vrouwennetwerk aan vrouwen biedt om de belemmeringen aan aanbodzijde te weerstaan, waardoor deelname aan een vrouwennetwerk, ondanks de belemmeringen aan vraagzijde, toch een gunstige uitwerking heeft op het carrièreverloop van vrouwen.
^ Top
6.3 REFLECTIE EN DISCUSSIE
Aan het eind gekomen van deze scriptie rest mij in deze paragraaf het onderzoek te overdenken.
Nader beschouwd hebben tijdsdruk en een gebrek aan ervaring hun sporen nagelaten in deze scriptie.
^ Top
REFLECTIE
Ik heb het moeilijk gevonden om de relatie tussen deelname aan een vrouwennetwerk en het carrièreverloop van vrouwen inzichtelijk te maken.
Daarnaast heb ik moeite gehad met het verwerken van de levensverhalen van de vrouwen die hebben meegewerkt aan het onderzoek.
Het was zeer intensief en tijdverslindend om een samenhangend geheel te maken uit de fragmenten van iemands leven.
Desondanks voel ik mij bij het afronden van deze scriptie, zoals ik in het voorwoord schreef: voldaan.
Ik heb het als een verrijking ervaren om mij in de literatuur rondom het onderwerp dat zo sterk mijn interesse heeft te kunnen verdiepen.
Ook de gesprekken die ik met de leden van het VrouwenNetwerk Rijnstreek heb gevoerd zijn voor mij zeer waardevol geweest.
Het vertrouwen dat zij mij hebben gegeven is van essentieel belang geweest voor dit onderzoek.
De resultaten van het onderzoek zijn onvermijdelijk beïnvloed door mijn persoonlijke betrokkenheid bij het onderwerp.
De persoonlijke betrokkenheid is groot, aangezien ik met het afronden van deze scriptie aan de vooravond van mijn carrière sta.
In de inleiding heb ik geschreven dat de maatschappelijke relevantie van dit onderzoek ligt in het aanreiken van kennis waarmee vrouwen hun carrièreverloop gunstig kunnen beïnvloeden.
Ik hoop deze kennis van harte te kunnen gebruiken in het nastreven van mijn eigen vrouwelijke carrière.
^ Top
DISCUSSIE
Naar de rol van vrouwennetwerken in het carrièreverloop van vrouwen is relatief weinig onderzoek gedaan.
Met deze scriptie is een begin gemaakt in het verschaffen van inzicht, maar er is vervolgonderzoek nodig om de bevindingen uit deze scriptie verder te verdiepen.
In een vervolgonderzoek zouden meer respondenten betrokken kunnen worden en het onderzoek zou meer betekenis kunnen krijgen als er op meerdere momenten in het carrièreverloop interviews plaats zouden vinden.
Zo kan een breder inzicht verschaft worden in de relatie tussen deelname aan een vrouwennetwerk en het carrièreverloop van vrouwen.
Daar zouden vrouwen die een carrière na (willen) streven en deel (willen) nemen aan een vrouwennetwerk bij gebaat zijn.
^ Top
LITERATUURLIJST
Balen, J. van, M. Burger, L. Brandt Corstius, C. Hollema, H. Howard, M. Rinkleff en E. Wouthuysen 1982.
De kunst van het moederschap. Leven en werk van Nederlandse vrouwen in de 19e eeuw.
Nijmegen: Socialistische Uitgeverij Nijmegen (SUN).
Benschop, Y. 1996.
De mantel der gelijkheid. Gender in organisaties. Assen: Van Gorcum.
Brinkgreve, C., K. Davis, B. van Heerikhuizen en B. Kruithof 2002.
Levensverhalen. Amsterdam: Amsterdams Sociologisch Tijdschrift.
Brouns, M. en A. Schokker 1990.
Arbeidsvraagstukken en sekse. Den Haag: STEO.
Brouwer, I. 2003.
Het glazen plafond. Vrouwen aan de top, verlangens en obstakels. Amsterdam: Boom.
Dale, Van 2002.
Online woordenboek. http://www.vandale.nl (bezocht vanaf 7 januari 2004).
Deminint, M.I., C.E. Disselen 1992.
Vrouwen, leiderschap en management. Utrecht: Lemma BV.
Doeveren, Y. van, C. van Eijnatten en G. van der Zalm 1991.
Vrouwennetwerken. Leiden: Stichting Burgerschapskunde.
Emans, B. 1985.
Interviewen, theorie, techniek en training. Groningen: Wolters-Noordhoff.
Gort, A. 2003.
Beeldvorming van mannen en vrouwen, in: Op gelijke voet.
Den Haag: Directie Coördinatie Emancipatiebeleid Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
editie november 2003, http://www.opgelijkevoet.nl (bezocht op 17 juli 2004).
Hart, H. ‘t, J. van Dijk, M. de Goede, W. Jansen en J. Teunissen 1998.
Onderzoeksmethoden. Amsterdam: Boom.
Linden, I. van der 1993.
Handige vriendinnen; Carrières centraal in vrouwennetwerken, in: Intermediair (jaargang 29 nummer 36) pagina 32-37.
Sanders, K. en A. Beekes 1993.
Tussen socialisatie en keuze. Vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt.
Groningen: Wolters-Noordhoff.
Pooter, A. de 1987.
Arbeid, Internationaal Recht en Vrouwen. De betekenis van het internationale recht voor vrouwen in Nederland.
Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink B.V.
Portegijs, W, A. Boelens en S. Keuzenkamp 2002.
Emancipatiemonitor 2002.
Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Verschuren, P. en H. Doordewaard 2000.
Het ontwerpen van een onderzoek. Utrecht: Lemma BV.
VrouwenNetwerk Rijnstreek 2003.
http://www.vrouwennetwerk-rijnstreek.nl (bezocht op 7 januari 2004).
Woodall, J, C. Edwards en R. Welchman 1997.
Gender, work and organization. Organizational restructuring and the Achievement of an Equal Opportunity Culture.
^ Top
BIJLAGE
Interviewvragen met betrekking tot het persoonlijk verleden:
- Hoe was vroeger bij u thuis de gezinssituatie?
- Groeide u op bij beide ouders?
- Had u jongere dan wel oudere broers en/of zusters?
- Hoe was vroeger bij u thuis de rolverdeling?
- Wie zorgde(n) voornamelijk voor inkomsten?
- Wie zorgde(n) voornamelijk voor het huishouden?
- Wie zorgde(n) voornamelijk voor de kinderen?
- Hoe was de taakverdeling tussen u en eventueel uw broertjes en/of zusjes?
- Heeft uw moeder (in het verleden) een baan buitenshuis (gehad)?
Zo ja,
- In welke periode was dat?
- Wat voor werk deed ze?
- Waarom werkte ze?
- Wat vond men daarvan binnen uw gezin?
- Wat vond men daarvan buiten uw gezin?
- Wat vond u daar zelf van?
Zo nee,
- Waarom niet?
- Was dat uw moeders vrije keuze?
- Wat vond men daarvan binnen uw gezin?
- Wat vond men daarvan buiten uw gezin?
- Wat vond u daar zelf van?
- Wat voor opleidingen heeft u gevolgd?
- Werd u daarin gestimuleerd?
- Heeft u een vrije keuze kunnen maken in wel of niet studeren?
- Heeft u een vrije keuze kunnen maken in het soort studie?
- Heeft de rol van uw moeder u daarin beïnvloed?
Waarnemingsvragen met betrekking tot het nasteven van een carrière:
- Hoe is uw carrière verlopen?
- Wat was uw eigen verwachting van uw toekomst?
- Wat was de verwachting van uw ouders, broers en zusters van uw toekomst?
- Hoe bent u aan uw eerste baan gekomen?
- Hoe heeft u uw eerste baan ervaren?
- Hoe is uw carrière verder verlopen?
- Hoe kijkt u terug op uw carrière tot zover?
- Hoe kijken uw ouders, broers en zusters terug op uw carrière tot zover?
- Hoe reageerde uw directe omgeving op het nastreven van uw carrière?
- Heeft u een gezin gevormd?
- Heeft u kinderen gekregen?
- Wat voor invloed heeft dat gehad op uw carrière?
- Hoe was de taakverdeling in uw eigen gezin?
- Is daar verandering in gekomen naar mate uw carrière vorderde?
- Hoe reageerde uw partner op uw wens om een carrière na te streven?
- Hoe reageerden uw ouders, broers en zusters op uw carrière?
- Hoe reageerde uw omgeving op uw carrière?
- Heeft u dat gestimuleerd?
- Heeft u dat belemmerd?
Waarnemingsvragen met betrekking tot netwerken:
- Wanneer heeft u voor het eerst te maken gehad met netwerken?
- Wat voor netwerk was dat?
- Wat had dat netwerk de leden te bieden?
- Wilde u zich daar bij aansluiten?
- Waarom wel of niet?
- Ma(a)k(t)en netwerken deel uit van uw carrière?
- Op wel moment in uw carrière bent u lid geworden van een vrouwennetwerk?
- Waarom bent u lid geworden van een vrouwennetwerk?
- Van welk vrouwennetwerk bent u lid geworden?
- Waarom heeft u voor dat vrouwennetwerk gekozen?
- Wat waren uw verwachtingen van het netwerk?
- Wat werd er van u verwacht?
- Hoe reageerde uw directe omgeving op uw deelname aan een vrouwennetwerk?
- Wat voor beeld hadden zij van een vrouwennetwerk?
- Begrepen zij welke meerwaarde het netwerk voor u had?
- Hebben zij u hierin gestimuleerd?
- Hebben zij u hierin belemmerd?
- Heeft deelname aan een vrouwennetwerk een bijdrage geleverd in het nastreven van een carrière?
- Heeft het vrouwennetwerk u emotionele steun en waardering geboden?
- Op welke wijze heeft u die emotionele steun en waardering ervaren?
- Wat is het belang geweest van deze steun?
- Wat voor invloed heeft dat gehad op het omgaan met belemmeringen?
- Heeft u zelf emotionele steun en waardering kunnen geven aan leden van uw netwerk?
- Wat is het belang geweest van uw bijdrage?
- Heeft u in het geven van emotionele steun en waardering een wisselwerking ervaren?
^ Top
DISCLAIMER
De makers van www.rinkes.nl zijn zorgvuldig als het gaat om het geven van correcte en actuele informatie aan de bezoekers van de website.
Desondanks kunnen zij niet garanderen dat de informatie in alle gevallen foutloos, volledig en actueel is.
Daarom kunnen aan de informatie op de pagina's van deze website geen rechten worden ontleend.
Verder aanvaarden de makers van www.rinkes.nl geen aansprakelijkheid voor schade als gevolg van onjuistheden en/of gedateerde informatie.
Wij stellen het op prijs indien u geconstateerde onvolledigheden en/of fouten aan ons meldt via het contactformulier.
Copyright © 2001-2012 Rinkes (www.rinkes.nl). Alle rechten voorbehouden.
Laatst gewijzigd: Monday 22 February 2010 12:48 CET.
^ Top